William Butler Yeats, Leda en de zwaan

 
Leda en de zwaan

Een plotse slag: ze ziet ontsteld nog ’t dek
Van slaande wieken, merkt dan rond haar schoot
De duist’re vliezen, om haar hals zijn bek,
En hoe hij zijn borst op haar boezem stoot.

Hoe duwen vingertjes zo’n verenpracht
Ooit van haar dijen die al wijken gaan?
Wat kan een lichaam, in die witte jacht
Terneer, dan ’t vreemde hart er voelen slaan?

Een huiver in de lendenen – eens moet
De muur gebrest, de stad in pek en zwavel
En Agamemnon dood.
                                          Nam zij, weerloos toen,
Vermeesterd door des hemels woeste bloed,
Zijn kennis met zijn kracht aleer de snavel,
Onaangedaan, zich van haar kon ontdoen?

 

Leda and the Swan

A sudden blow: the great wings beating still
Above the staggering girl, her thighs caressed
By the dark webs, her nape caught in his bill,
He holds her helpless breast upon his breast.

How can those terrified vague fingers push
The feathered glory from her loosening thighs?
And how can body, laid in that white rush,
But feel the strange heart beating where it lies?

A shudder in the loins engenders there
The broken wall, the burning roof and tower
And Agamemnon dead.
                                            Being so caught up,
So mastered by the brute blood of the air,
Did she put on his knowledge with his power
Before the indifferent beak could let her drop?

 

Uit The Tower, 1928. Vertaling uit 1987, ingezonden voor een vertaalwedstrijd uitgeschreven door de Vakgroep Vertaalwetenschappen van de Universiteit van Amsterdam in samenwerking met NRC Handelsblad. De winnende vertalingen (niet deze) stonden in NRC Handelsblad van 24 december 1987.

This entry was posted in Mear and tagged . Bookmark the permalink.