Montse (de Haan) Hettema (1796-1873)

Niet minder dan zes geleerde genootschappen in Nederland, waaronder de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde en het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, verloren in 1852 door opzegging een hunner leden. Het betrof een Friese jonker, om zijn erudiet vertoon gelauwerd in het buitenland – zo was hij erelid van de Philological Society te Londen en had hij medailles ontvangen van de koning van Pruisen en de Russische tsaar – maar verbitterd geraakt door de tegenwerking die hij binnen de vaderlandse cercles meende te ondervinden. De oprichting van een eigen Genootschap voor Noord-Nederlandsche Oudheidkunde was ook al niet gelukt. ‘Eénoog in het land der blinden’, zoals hij zichzelf eens noemde, hield het nu dan voor gezien.
      Getuige het oordeel dat verschillende tijdgenoten over hem velden, zullen weinigen zijn vertrek betreurd hebben. Zo kenschetste J.H. Beucker Andreae hem als iemand met ‘zeer verwarde en door niemand begrepen wordende inzigten’ en een ‘onbesuisde drift en onbegrensde hekelzucht’, J.G. Ottema betichtte hem van leugenachtigheid ‘uit zucht om à tout prix iets te gispen’ en J.C.G. Boot maakte hem onomwonden uit voor ‘een blaffende hond’ die allang gemuilkorfd had moeten worden. Typeringen van recenter datum zijn evenmin onverdeeld gunstig: de jonker heet een ‘ulevellenwijsheid’ debiterende ‘frisiomaan’ te zijn geweest (1927), een ‘querulant’ met ‘waangedachten’ (1974) en meer specifiek een ‘notoire carrièrist’ met een ‘aristocratisch syndroom’ (1983). Wie was deze kennelijk zo onbeminde figuur?

Montse Hettema werd op 28 januari 1796 gedoopt te Bolsward en groeide daar op in het kinderrijke winkeliersgezin van de katholiek en patriot Hans Hettema en diens echtgenote Jantje Gerbens van Albada. Na Latijnse scholen te Bolsward, Uden en Leeuwarden te hebben bezocht, werd Montse rechtenstudent te Groningen, waar hij zijn studie in 1817 afsloot met een proefschrift over het vruchtgebruik. Sindsdien verdiende hij te Leeuwarden zijn brood als advocaat bij de rechtbank en, vanaf 1838, als arrondissementsrechter. In 1818 huwde hij Eufemia Smit (1795-1858), dochter van een Groninger logementhouder en toen reeds moeder van een meisje genaamd Montana Maria. Er zouden nog zestien kinderen volgen.
      De ambitieuze middenstandsjongen had gedaan gekregen dat hij de Groninger academie niet alleen als meester maar ook als jonker kon verlaten. Gebruik makend van bestuurlijke hervormingen waagde hij al in zijn studietijd een weliswaar frauduleuze maar succesvolle sprong naar een aanzienlijk hogere sport van de sociale ladder, met als resultaat dat hij in 1815 werd toegelaten tot de Ridderschap van Friesland. Een in 1827 ondernomen poging om bovendien benoemd te worden tot baron strandde echter: de Hoge Raad van Adel had allang spijt van haar positieve advies uit 1815 en liet zich niet nog eens in de luren leggen. Hettema troostte zich met het denkbeeld dat de op Friese vrijheid teruggaande status van jonker eigenlijk hoger was aan te slaan dan een door de koning te verlenen titel. Wel lukte het hem zich in 1838 nog eens officieel te laten adopteren door Anna Maria de Haan, weduwe van een ver familielid. Verondersteld is dat hij zodoende successierechten wilde omzeilen. Dat hij zich nadien consequent De Haan Hettema noemde en zijn zonen zelfs als Van Albada de Haan Hettema door het leven gingen, wijst toch ook nog op iets anders.
      Mogelijkheden tot verdere maatschappelijke opgang zocht Hettema aanvankelijk vooral in de politiek, echter zonder het gewenste resultaat. Wel had hij tien jaar lang zitting in de Provinciale Staten van Friesland, maar uit de daaruit voortvloeiende functie van militiecommissaris werd hij in 1830 om onbekende redenen ontslagen. Zijn aan de gouverneur (Stichtse adel) gerichte, dreigende protestbrief – ‘weet dan dat gij te doen zult hebben met eene Frieschen Edelman, die voor geene Utrechtschen Baron vervaard is’ – maakte de zaak er vast niet beter op. Herhaalde pogingen om gedeputeerde te worden dan wel opnieuw een statenzetel te verwerven, resulteerden keer op keer in slechts één enkele stem (vermoedelijk zijn eigen) te zijnen gunste. Vanaf de zijlijn schreef hij nog wel een pamflet over het stemrecht (1840) en een ontwerp voor een nieuwe grondwet (1844); wie immers, afgezien van Thorbecke misschien, had dat anders moeten doen?
      Na het failliet van zijn politieke loopbaan begon Hettema aan zijn publicistische. De eerste schreden op dat pad betroffen de orthografie van het Fries. Omdat de in omloop zijnde spellingen tevens standpunten weerspiegelden omtrent de klank- en vormleer waarin het Fries zou moeten herleven, hield het onderwerp de vroege beoefenaars van de Nieuwfriese letterkunde sterk bezig. Een aantal van hen, veelal afkomstig uit de kring rond de Franeker professor Everwinus Wassenbergh, nam bij voorkeur het archaïsche Middelfries van de Renaissancedichter Gysbert Japicx tot norm. Anderen, de moderne taalkundige Joast Hiddes Halbertsma voorop, baseerden zich liever op het eigentijdse, daadwerkelijk gebruikte en organisch ontwikkelde ‘Landfries’, zonder overigens te pretenderen dat een daarop gebaseerde spelling alle nuances van de uitspraak zou kunnen weergeven: ‘Leest zoo als gij spreekt, en niet zoo als er staat!’
      Hun opponent Hettema achtte beide opvattingen een knieval voor de corrumperende werking die van het Nederlands uitgegaan was en een schending van de integriteit van een in beginsel superieure taal: ‘Het Friesch moet met geene Hollandsche letteren en teekens, maar met deszelfs eigene en oorspronkelijke geschreven worden.’ Vanaf begin 1830 zou hij erop blijven hameren dat men de zo authentieke spelling, klank- en vormleer van het Oudfries diende na te volgen. Praktische bezwaren waren er niet: de uitspraak was namelijk al die eeuwen door niet noemenswaard veranderd! Hoe onzinnig ook, Hettema’s opvattingen vonden weerklank in de kring van het hyperromantische tijdschrift Iduna, met als gevolg dat van de Gysbert-, de Halbertsma- en de Iduna-spelling merkwaardigerwijs de laatste twee elkaar het langst – te lang – beconcurreerden. Poog de volgende proeve van Hettema’s eigen hand te lezen, en u begrijpt ook als niet-Friestalige waarom nuchterder tijdgenoten zich al vrolijk maakten over de door hem gepropageerde spelling, met haar fossiele naamvalsuitgangen maar zonder enige aanduiding van de diftongen die het Nieuwfries zo zangerig maken:

    Skame navt, o alda Fris’! juw’ aldrem tál tó scriwen,
    Mith-á selva Bókstaf’ rekk’ fon hiarem ér e-brukad;
    Thet, fen én frámd’ de tál, ther navt ne in mi bliwen:
    Us Bókstaf’ring is gód, inna alda bókem bókad.

Veel van wat Hettema verder publiceerde, moest zijn gelijk in dezen ondersteunen. Een titel als Beknopte handleiding, om de oude Friesche taal, voor zoo verre zij in handschriften en in oude drukken nog bestaat, gemakkelijk te lezen en te verstaan, hoofdzakelijk voor diegenen, welke eenige kennis der tegenwoordige land-Friesche taal hebben uit 1830 spreekt voor zich. Van de Frisisk Sproglære van Rasmus Rask, waaraan hij zijn taalkundige ideeën ontleend had, publiceerde hij in 1832 een vertaling, zij het ‘met eenige veranderingen’, want ook de inzichten van de Deense filoloog achtte hij voor verbetering vatbaar. Voorts gaf hij, weglatend wat hij niet ontcijferen kon, de wetsteksten waarin het Oudfries overgeleverd is uit in Het Emsiger landregt (1830), Jurisprudentia Frisica (1834-’35), Het Fivelingoër en Oldampster landregt (1841) en Oude Friesche wetten (1846-’51).
      Talrijk zijn Hettema’s publicaties gewijd aan Friese geschiedenis en genealogie. Niet zelden stijgt er een geur uit op van betweterige naijver, met de Leeuwarder stadsarchivaris Wopke Eekhoff en Jacob van Leeuwen, archivaris van de provincie, als sneuste slachtoffers. In De Gids van 1840 boorde Hettema twee pretentieloze provinciebeschrijvingen van de eerste hardvochtig de grond in. Had Hettema zelf al iets dergelijks klaarliggen of heeft hij het nog haastig even in elkaar geflanst? Feit is dat zijn in hetzelfde jaar verschenen Oud en nieuw Friesland aan Eekhoff de kans bood om zich in De Gids met geforceerde distinctie te revancheren. Niettemin moest de brave Wopke er acht jaar later opnieuw aan geloven. Diens Geschiedkundige beschrijving van Leeuwarden gaf Hettema zijn Leeuwarden na en voor hare wording als stad in de pen, dat in zekere zin meer Eekhoffs Geschiedkundige beschrijving dan Leeuwarden zelf behandelt.
      Wellicht zaten Eekhoff en Van Leeuwen op stoelen waarop ook Hettema wel wilde zitten. In elk geval kon die zich van het samen met Arent van Halmael geschreven Stamboek van den Frieschen, vroegeren en lateren, adel (1846) pas co-auteur noemen nadat de al te bescheiden Van Leeuwen zich als zodanig teruggetrokken had. Pionierswerk, dat Stamboek, maar met meer (want deels moedwillige) fouten dan nodig was geweest, met name op de bladzijden over het geslacht Hettema, dat uiteraard niet ontbreekt. Toen Van Leeuwen zich op een nieuw project had gestort, de van provinciewege uit te geven beneficiaalboeken, meende Hettema andermaal het beter te kunnen. Dus diste hij in de Leeuwarder Courant op wat er zoal aan de uitgave mankeerde en bood hij Provinciale Staten aan het werk dunnetjes over te doen en af te maken. Het publiek werd getuige van een onaangename woordenstrijd, het provinciebestuur schoof het genereuze aanbod wijselijk terzijde.
      Ondertussen gaven Hettema’s eigen geschriften blijk van een zelfs voor negentiende-eeuwse begrippen schrijnend dilettantisme. Vooronderstelling en verdichtsel vormden het cement, om het even of het nu bijvoorbeeld de status van het Oudfries als ‘fons et origo’ van het Oudengels betrof of de steun die de Noormannen het Friese broedervolk gegeven zouden hebben in hun strijd tegen het Christendom. Onbedoeld komisch zijn af en toe de etymologische afleidingen die Hettema ten beste gaf – ooit gedacht dat Friesland komt van fris (dat wil zeggen: nieuw) land, terwijl de Friezen daarentegen zo heten omdat zij in oorsprong varenden waren? – zodat het ergens wel spijtig is dat etymologie ontbreekt in zijn Proeve van een Friesch en Nederlandsch woordenboek uit 1832 en het werk waaraan hij zijn nadagen besteedde, het postuum verschenen Idioticon Frisicum.

Al tijdens zijn leven – hij overleed te Leeuwarden op 18 december 1873 – was Hettema’s rol uitgespeeld. Na zijn dood is hij sporadisch nog actueel geweest als (wankel) sokkeltje onder het roomse zuiltje binnen de latere Friese beweging en als vermeende vervalser van het Oera Linda Boek. Beide ten onrechte. Het door hem opgezette en grotendeels zelf volgeschreven Jaarboekje voor de Catholijken in Friesland (1834-’35, met enkel Hollandstalig mengelwerk over biecht, aflaat, vagevuur…) en zijn brochure over het Concordaat ‘ter geruststelling der protestanten’ (1841) laten onverlet dat hij zich nimmer manifesteerde als Friese katholiek of als katholieke Fries. In de strijd om het auteurschap van het roemruchte Oera Linda Boek (die Eelco Verwijs inmiddels definitief gewonnen lijkt te hebben) heeft Hettema nooit een schijn van kans gemaakt: enerzijds ontbrak het hem daarvoor aan voldoende intellectuele en literaire capaciteiten, anderzijds is het Oera Linda Boek wellicht meer maar zeker niet minder dan een pastiche op het Fries-Germaanse mysticisme dat juist iemand als Hettema belichaamde.
      Wat van hem rest zijn duizenden pagina’s tekst in handschrift en druk waarin een overgroot ego het vrije zicht op de bronnen belemmert, feiten worden aangepast aan eigen fixaties en kleinzielig gepolemiseer moet doorgaan voor wetenschappelijk discours – dit alles bovendien in een stijl die bij tijden, aldus een toenmalige recensent, dienen kon ‘tot een voorbeeld van Nederlandsche Kakographie voor een schooljongen’. Zijn werkkracht was zonder twijfel groot. Mogelijk ook ervoeren sommigen zijn werk ondanks alle gebreken als een stimulans. Zijn monopolistische optreden heeft echter de groei geremd: waar hij wortel had geschoten wilde het gras niet echt meer groeien. Maar laat ons eindigen met een credo dan wel apologie van jonkheer meester Montanus de Haan Hettema zelf, hij had immers graag het laatste woord:

    Ik weet, ik sta bijna geheel alleen, en zal misschien ook voor den tijdgeest moeten onderdoen. Doch neen; laat alwat geleerd, half en quasi geleerd is, mij aanvallen, ik zal nochtans, gelijk een oude eik, mij tegen al de stormen manmoedig verzetten; opdat, wanneer nu al eens de eik onderdrukt wordt, gene schaduw meer biedt, en ontworteld daar ter neder ligt, men dan nog altijd zal kunnen zeggen: het was een eik.

Voor details zij met name verwezen naar: G.A. Wumkes, Bodders yn de Fryske striid, Boalsert 1926, p. 495-511; J.J. Kalma, Dit wienen ek Friezen. In rige lytse biografyen V, Ljouwert 1974, p. 50-56, 71-73; en B. de Vries & Y. Kuiper, ‘Een vrije Fries die baron wilde worden’, It Beaken 45 (1983), p. 196-221. Zie naast de daar vermelde bronnen en literatuur ook: B. Folkertsma, De stavering fan it Westerlauwerske Frysk yn de njoggentjinde ieu, Grins 1973, passim; en C.P. Hoekema, P. Karstkarel & Ph.H. Breuker, Eekhoff en zijn werk […], Leeuwarden 1980, passim.

    Eerder gepubliceerd in Nieuw Letterkundig Magazijn 14 (1996), nr. 1 (juli), p. 6-8. Afbeelding: Montse Hettema omstreeks 1830, anonieme lithografie.
This entry was posted in Artikels and tagged , , , , , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.