Tsjalling Hiddes Halbertsma (1792-1852)

Nog geen jaar na de dood van zijn eerste echtgenote ging Tsjalling Hiddes Halbertsma, 45 jaar oud, koopman in boter en kaas te Grouw, een nog jonge weduwe vrijen. Zowel zijn kinderen als zijn broers zagen dat aanvankelijk met lede ogen aan. Op een dag moest broer en dorpsarts Eeltsje een visite afleggen bij de bedlegerige moeder van de weduwe. Hij trof daar behalve de patiënte ook haar dochter en vrijer Tsjalling. Eeltsjes diagnose: ‘De ien komt om ’t flesk, de oare om de bonken.’
      Zo’n opmerking tekent de gebroeders Halbertsma – Joast, Tsjalling en Eeltsje – ten voeten uit. Vormelijkheid en burgermansfatsoen strookten niet met hun karakter en afkomst; ook toen zij inmiddels tot de maatschappelijke bovenlaag behoorden, bleven ze in conversatie, correspondentie en publikaties sljucht en rjucht. In geschrifte was die eigenschap, uitgedragen met groot stilistisch vermogen, welhaast een stellingname in het vraagstuk waarover de beoefenaars van Friese bellettrie destijds diepgaand van mening verschilden: diende hun schrijverij het verheven maar dode barok-Fries van de 17de-eeuwse dichter Gysbert Japicx na te volgen, of moest het aansluiten bij het levende en dikwijls suggestieve boerenfries van het platteland? Een vraagstuk met sociale dimensies. Illustratief voor het standpunt van de Gysbertepigonen is de retorische vraag die de classicus Jan Dirks Ankringa de notabelen van het Friesch Genootschap stelde, in 1857 of ’58:

    Door de hoogere klassen van de maatschappy wordt de Friesche taal niet gesproken en dien ten gevolge ook niet, althands weinig, gelezen, dit maakt dat de schrijvers in die taal, die nog al betrekkelijk velen zijn, zich in hunne geschriften, de een meer de ander minder, maar dikwijls te veel, richten naar de denkbeelden hunner lezers, de leden van lagere en mindere klassen der samenleving, en jacht maken op zoogenaamde naïve, dikwijls alles behalve kiesche, uitdrukkingen. Wie Uwer […] gevoelt niet met my dat dergelijke handelwijze meer geschikt is om de achting voor die taal te doen zinken, dan haar te verheffen.

De gebroeders Halbertsma hadden op dat moment hun pleit allang gewonnen. Onder aanvoering van de oudste, Joast, hadden zij in hun bellettristische publikaties diverse registers opengetrokken: scherts en luim naast ernst en moraal, folkloristische vertelstof naast lyriek naar de nieuwste mode. Veel van hun bijdragen werden vroeger of later gebundeld in hun nog steeds zeer populaire Rimen en teltsjes, dat in 1822 begonnen was als De lape koer fen Gabe Skroor (‘De lappenmand van kleermaker Gabe’). Joast omschreef op het eind van zijn leven in een brief aan Eeltsjes zoon Hidde de bedoeling daarvan als volgt:

    Te schrijven in een provinciaal dialect voor een aantal liefhebbers in die provincie is altoos een armzalig werk vergeleken met dat van den auteur, die in het Hollands voor millioenen schrijft. En toch heb ik nog geen berouw van al mijn geworm omdat het doel, dat Uw vader en ik zich altijd voorstelden, namelijk de verheffing van het Friesche element, bereikt is. Toen wij voor 40 jaar begonnen was het Friesch nergens goed voor dan voor een almanaksklucht en de aanzienlijken verachtten het. In December 1822 verscheen het eerste Lapekoerke, het embryontje; netjes gedrukt, met zorg gespeld en geheel met een klassisch aanzien om het vooroordeel te beschamen.

Maar De lape koer fen Gabe Skroor bewees niet alleen dat het Fries zich uitstekend leende voor fraaie letteren, het toonde ook aan dat men daarvoor niet terug hoefde te vallen op thematiek, stijl en woordkeus van Gysbert Japicx. Het ‘Friesche element’, de Halbertsma’s van huis uit eigen, was immers in tweeërlei opzicht volop aanwezig: De lape koer richtte zich naar de denkbeelden van ‘de leden van lagere en mindere klassen der samenleving’, en deed dat bovendien in hun dagelijkse omgangstaal. Elk mogelijk vooroordeel werd daarbij ontkracht door de geestigheid, het beeldend vermogen en de taalbeheersing waarop de Halbertsma’s het patent hadden.

Tsjalling Hiddes Halbertsma werd tweehonderd jaar geleden – op 21 januari 1792 – geboren te Grouw. Hij was de tweede van vier kinderen in het doopsgezinde nest van Hidde Halbertsma en Ruertsje Binnerts. Joast (1789-1869), dominee, filoloog en folklorist, was hem voorgegaan; een bijzonder oorspronkelijke en veelzijdige persoonlijkheid, die, liever dan de kansel te bestijgen, zich wijdde aan studie en wetenschap. Op Tsjalling volgde Binnert (1795-1847), eveneens koopman; hij hield zich afzijdig van de letterkundige activiteiten van zijn drie broers. De jongste van het stel was de dichter-arts Eeltsje (1797-1858), die in zijn studententijd te Heidelberg zowel een romantisch angehaucht dichterschap als een zich in drankzucht uitende weltschmerz had opgedaan.
      ‘Dêr is dan it berchkompleks Halbertsma, twa hege toppen en ien lytsere: Joast en Eeltsje en dernjonken harren broer Tsjalling’, aldus Jan Eisenga. Tsjallings roem is inderdaad ver achtergebleven bij die van zijn met monumenten, tentoonstellingen en dissertaties geëerde broers Joast en Eeltsje. Maar Tsjalling werd dan ook al vroeg voorbestemd voor de handel. De vier broers waren nog jong toen vader Hidde – ook hij schreef wel eens een versje – in 1809 kwam te overlijden. Joast, de trots van zijn moeder, studeerde al in Amsterdam; Binnert en Eeltsje waren nog maar 13 en 11 jaar oud. Het lag dus voor de hand dat de 17-jarige Tsjalling de graanhandel van zijn vader ging voortzetten. Binnert loste hem later af, waarna hij overstapte op boter en kaas.
      Tsjalling handelde met overleg en beleid en verwierf welstand en aanzien. De rol van koopman en de status van vooraanstaand burger pasten hem. Financieel beheer en vermogensgroei vormen een terugkerend thema in zijn correspondentie; zo werd Klaas, zijn studerende zoon, tot aan diens promotie meermalen gedreigd met een enkele reis Grouw bij blijvende budgetoverschrijding. Ook op de huwelijksmarkt liet Tsjalling – hij trouwde in 1813 met Tetsje Sjollema (1793-1836) en hertrouwde in 1837 met Reinskje van der Goot (1807-1862) – de te verwachten kosten en baten zwaar meewegen. Zijn maatschappelijke opgang werd bekroond met het lidmaatschap van Provinciale Staten, waarin hij zich nogal druk maakte over… de boterprijzen.
      Onder het volk, tijdens zakenreizen, op markten en in herbergen – dinsdags handelde hij zijn zaken af in De Roskam te Leeuwarden, vrijdags resideerde hij in De Witte Arend te Sneek – deed Tsjalling stof op voor zijn pennevruchten. Handel en schrijverij maakten bij hem deel uit van dezelfde levenssfeer, en het was dezelfde klantenkring die hij met beide bediende. Veelzeggend zijn twee van zijn noms-de-plume: Keapman Tjalling en Tjalling Tzysker (‘kaashandelaar’). Maar Joast tekent in zijn familiekroniek uit 1858 aan:

    Groter liefhebber van malligheden en grappen dan mijn broeder Tjalling was er niet in geheel Friesland; maar let wel op, altijd in de snipper uren. Als de affaire sprak, hielden alle grappen op, en activiteit, beleid, taaie arbeid en berekening van den vroegen morgen tot den laten avond, waren aan den orde van den dag.

Tsjallings feitelijke doodsoorzaak, in detail gedocumenteerd door brieven van Eeltsje aan Joast, lag in een bloeduitstorting, veroorzaakt door een ontwrichte schouder na een val op de stoep van herberg De Klanderij te Leeuwarden. Joast legt in zijn familiekroniek het accent echter even anders:

    In het laatst rekende hij zich droevig mis. In 1848 daalden de effecten ontzettend. Hij kreeg de panic en verkogt ze. Verlies nummer één! Hij belegde het geld in rogge, die daalde en niet weder wilde rijzen. Zij teerde meer dan de helft in door intres, pakhuishuur en verdroging. Verlies nummer 2! Gereduceerd van 100 mille op 60 mille, was hij gekrenkt in zijn eerzucht en stierf tot mijn bittere smart.

Tsjalling overleed te Grouw op 12 december 1852.

In de totstandkoming van de Rimen en teltsjes had Tsjalling slechts een bescheiden aandeel. ‘De sceerwinkel fen Joute-baes’ is een coproduktie van de drie broers gezamenlijk, en pas de editie van 1871 bevatte voor het eerst Tsjallings uit 1829 daterende ‘Myn reis mei parsop nei staed’. Veel van zijn werk verscheen als toegift achterin jaarboekjes en almanakjes: onooglijke, goedkoop gedrukte pockets met een praktisch doel, maar ze luidden wel de herleving van de Friese letterkunde in: hun afnemers – mensen die belang stelden in marktdagen en maanstanden – waren boeren en buitenlui, hetgeen de Friestaligheid van het bijgevoegde mengelwerk bepaalde.
      De verschijningsfrequentie van die almanakjes bood weinig speelruimte voor actuele satire. In 1832 nam Tsjalling dan ook het initiatief tot de uitgave van De Roeker: een 16 pagina’s tellende brochure, waarvan in 1832-’33 vijf nummers verschenen. De medewerkers aan De Roeker hekelden diverse vormen van financieel opportunisme en wanbeheer: pronk- en spilzucht, eigenbatig stemgedrag, misbruik van de algemene middelen en met name het bankroetieren. Zeker het laatste zal Tsjalling na aan het hart hebben gelegen: als koopman was hij onvermijdelijk tevens crediteur… Toespelingen op concrete zaken die ons nu ontgaan, zullen indertijd zeker met instemming herkend zijn. De Roeker vond tenminste veel aftrek en van de meeste nummers werden herdrukken uitgebracht.
      Die neiging tot satire is zelfs aanwezig in de zogenaamde heilingen waaraan Tsjalling bijdroeg: kinderprenten, bestaande uit reeds vaker gebruikte houtsneden, maar nu voorzien van Friese bijschriften. Eeltsje meldt tenminste dat een collega-arts zeer ontstemd was omdat één van Tsjallings bijschriften op hem zou zinspelen. Sommige van zijn schrijfsels lijken hun tijd overigens niet te hebben overleefd; waarom ook weegbriefjes of snoepwikkeltjes bewaren, zelfs al staat er een rijmpje op?
      In 1836 werd de geest van het orakel Maayke Jakkeles, die al langer in de Friese bellettrie rondwaarde, vaardig over Tsjalling. Zij gaf hem een reeks voorspellingen in de pen waarmee men een gezelschap huwbare boerendochters genoeglijk kon onderhouden. Verkleed als waarzegster Maayke liet men hen om de beurt een ‘planeetje’ trekken, om vervolgens het slachtoffer te onthullen wat de sterren vertellen over haar huwelijkskansen en toekomstige echtelijke staat. Een korter, algemener planeetje:

    Hoe it mei dij komme sil, mei de deale riede; dou biste sa boartlyk in sa wif as in maailaam. Jaan dij del, Fanke! dan sil ’t goed komme. Aste merkeste mei in feint, dijste graag wer sjogste, pas dan op dat it leaste tuutje it beaste is: dat giet hem trog de lea as in heal fleske fol Harlemmeroolje in jichtig hantjemier.
          (Hoe het met jou zal komen, mag Joost weten; jij bent zo dartel en zo wispelturig als een voorjaarslam. Bedaar wat, meisje! dan komt het wel goed. Als je de hort op bent met een vrijer die je graag terugziet, zorg er dan voor dat het laatste kusje het beste is: dat gaat hem door z’n lijf als een half flesje haarlemmerolie door een jichtige hannekemaaier.)

Succes verzekerd: De wiersizzerij fen Maayke Jakkeles oon de Frieske fammen werd meer dan eens herdrukt. Een halve eeuw later struinde Pieter Jelles Troelstra nog in travestie de jongedameskransjes af met een eigenhandige navolging, getiteld Wiersizzerij fen âlde Foekje fen Heech
      Ondanks – of zelfs dankzij – de pretentieloosheid ervan werd Tsjallings werk van groot belang voor de emancipatie van het Fries. Die was minder gebaat bij Friese letterlievendheid onder de elite dan bij toenemend zelfrespect onder het volk jegens de eigen spraak. Maar hoe mensen te bereiken die niet gewend waren te lezen om het lezen en doorgaans weinig te verteren hadden? Tsjallings pragmatische koopmansgeest zag probleem en oplossing beide. Hij voorzag zijn produkten van een gebruikscontext, door ze uit te geven als bijschrift op kinderprenten, als gezelschapsspel voor vrijgraag jongvolk, als mengelwerk achterin zo’n handig almanakje, als toegift op weegbriefjes en ulevellepapiertjes.
      En zo kreeg het plattelandsvolk als vanzelfsprekend èn min of meer op de koop toe verstrooiend dicht en ondicht in het Fries in handen. Het gebruik van de eigen omgangstaal in plaats van het Hollands van kerk, overheid en notabelen of het gekunstelde Fries van schrijvers als Ankringa zal de onwennigheid met het gedrukte woord verkleind hebben. Doorslaggevend was echter ongetwijfeld Tsjallings buitengewone talent om dat gesproken boerenfries op schrift vast te leggen met behoud van idiomatische nuances, suggestieve werking en volksaardigheid. Natuurlijke dialogen, humoristische karaktertekening en actualiteitswaarde deden de rest. Het maakte de koopwaar van Keapman Tsjalling tot een krachtig tegengif voor het (nog immer heersende) moedertaalanalfabetisme onder de Friezen.

Voor literatuur over Tsjalling Hiddes Halbertsma zij verwezen naar: J.J. Kalma, Halbertsma-bibliografy, Ljouwert 1968. Veel biografische bijzonderheden geven de publikaties nr. 2, 14, 19, 23, 27 en 36 van de Halbertsma-Stichting, waarin ook de aangehaalde brieven en de familiekroniek zijn uitgegeven. De toespraak van Ankringa werd afgedrukt in De Vrije Fries 8 (1859). Eisenga’s stijlbloempje is ontleend aan diens postume Strider en dichter, Drachten 1948, p. 103.

    Eerder gepubliceerd in Nieuw Letterkundig Magazijn 10 (1992), nr. 1 (juni), p. 15-17. Afbeelding: Tsjalling Hiddes Halbertsma in 1851, lithografie door Johan Römer.
This entry was posted in Artikels and tagged , , , , , , , , , , , , , , . Bookmark the permalink.