Cornelis van der Wal, Subsydzje foar de Graal

    Over: Cornelis van der Wal, Subsydzje foar de Graal, Utjouwerij Bornmeer, Ljouwert 2003.

Cornelis van der Wal flikt het hem weer. Ontlokte hij ooit met een enkel telefoontje aan de CdK van Friesland de onmachtige verzuchting ‘Ik word omringd door gekken’, onlangs bracht hij, met zomaar een dichtbundeltje, poëziebespreekster Babs Gezelle Meerburg tot een curieus vertoon van truttigheid. Babs meende in de Leeuwarder Courant van 30 januari haar argeloze lezers te moeten waarschuwen voor Cors in ‘perfersiteit’ resulterende ‘anty-idealistyske, nihilistyske hâlding’ en beëindigde haar recensie (nou ja) met: ‘Is dit “moaie” poëzy? Wurde jo emosjoneel rekke? Binne it fersen om fan te genietsjen? Werkenne jo josels deryn? Nee, sa ienfâldich leit it net. Eventuele wurdearring leit op in oar nivo. Dit is groteske poëzy en dat is even wennen.’

Cor is voor Babs’ meisjespoëtica kennelijk te vies, voos en vreemd; een literair oordeel over Subsydzje foar de Graal wordt de LC-abonnee onthouden. Gelukkig kan die terecht op internet: op Farsk is een recensie te vinden, van Abe de Vries, waarin thematiek, structuur en referentialiteit van de bundel geanalyseerd worden op een wijze die van betrokken lezerschap getuigt en ook veelal hout snijdt. Een beetje nattigheid voel ik wel bij Abes riskante fierljepperij van analyse naar al te verwijderde slotsom, waarin hij het hedendaagse Friesland zowaar aan een rijmende Dostojewski helpt: ‘Der is net ien yn Fryslân dy’t lykas Cornelis van der Wal sa “licht” en tagelyk sa effektyf dichtet oer grutte tema’s as lichem en geast, skuld en boete, haat, leafde, leauwe’.

Subsydzje foar de Graal is de derde, in 2003 verschenen bundel van een dichter die in 1991 debuteerde met In nêst jonge magneten en daar de Fedde Schurerpriis mee won. In 1997 volgde Sinnestriel op it offermês. Opmerkelijker dan de intervallen van zes jaar tussen publicatie is het vaste aantal gedichten per bundel: 33, wel niet toevallig het aantal jaren dat sommige pz-patiënten als hun absolute leeftijd zien. Feit is dat Subsydzje doordesemd is met christologie: licht, lam, brood, bloed, doorboring, offer, slacht. Er doen zich daarbij identificaties voor die de boven geciteerde verzuchting van Loek Hermans in herinnering roepen maar tegelijk beeldende, gelaagde, geestige, maar ook bij herlezing ongemakkelijke en verontrustende, dus geslaagde poëzie opleveren.

Over de beste gedichten ligt een glans van mythos en geheimnis; zo in ‘It byld jout lûd’ (beginnend met ‘Doe’t ik opgroeven waard’, spiegelbeeldig aan Obe Postma’s ‘As ik opdroegen wurd’). Naast evocatieve zinnen bevat Subsydzje echter slappe frasen. De eenregelige strofes waarmee veel gedichten afgerond worden, doen het soms goed als punch line maar hebben soms ook weinig pointe. Elleboogstootjes als ‘hillige tosty’ en ‘Kin neat skele eagen’ werken binnen hun context; maar de geinkwatrijnen ‘It is dien’ en ‘Leafdesrook’ kunnen niet op eigen benen staan en doen af aan de zeggingskracht van de bundel. Van der Wals woordkeus, zinsbouw en verstechniek zijn nogal gewoontjes; zijn poëzie moet het hebben van metaforen en symbolen, van enscenering, fantasma’s, theatraliteit. Middelen waarmee hij binnen kort bestek – de langste gedichten tellen twaalf regels – een absurdistisch en soms ook sadistisch universum weet te scheppen. Waar het dadaïstische trekken krijgt, vertoont zijn werk verwantschap met dat van de Leeuwarder schilder/dichter Anne Feddema, met wie Van der Wal de dit jaar verschenen coproductie Skalder en it swurd maakte.

Subsydzje bevat met name persoonlijke verwerkingen, onconventioneel en in romantisch-idealistische traditie (echt waar Babs), van christelijke concepten. Zo is er de inferioriteit van het lichaam aan de daarin gekerkerde geest, doorgaans benoemd als ‘brein’. Het lichaam is strafbaar, al dan niet in een (homo)seksuele setting; waar ‘it brein’ zich van zijn ketens kan ontdoen, vult het de kosmos. En dan is er de zoektocht naar en de strijd om het licht. In ‘De swarte barbier’ – slot- en titelgedicht van de eerste afdeling – wordt een per fiets voortjakkerende ‘switsinne’ achtervolgd door een gemotoriseerde maan, die de zon zijn blonde lokken wil afknippen. In ‘De treppen’ – slot- en titelgedicht van de tweede afdeling – rost ‘de spikerhurde sinne’ iemand langs de trappen van het duister naar beneden, waarna de stakker van hogerhand de cynische raad krijgt opnieuw naar boven te klimmen; niet dat hij dat ooit zal volbrengen, maar ‘de treppen wurde hieltyd koarter’ en de val dus minder diep.

In de derde en laatste afdeling worden beide thema’s voortgezet, maar zelfspot voert nu de boventoon. De schrijver introduceert zijn alter ego: ‘it mantsje’ dat zo graag Man, Dichter, Graalridder wil zijn, maar door zowel anderen als zichzelf niet serieus genomen wordt. Lukt het hem eindelijk ‘in sulveren Aai’ te bemachtigen met daarin ‘wyt swiet moanneljocht, / uterste datum de ivichheid’, dan gaat het hem alsnog voor de wind, maar wel ‘rjochting lêste râne’. In het slotgedicht, waarvan de titel gelijk is aan die van de afdeling én die van de bundel als geheel, twijfelt ‘it mantsje’ tussen thuisblijven en op queeste gaan, waarna de schrijver de bundel laconiek afsluit met een voorwaardelijk Wordt vervolgd: ‘Wa wit, seit de skriuwer mei de snor fol skom, / tenei faaks mear, earst moat der wat subsydzje komme.’

En zo is het. Gedichten als ‘It byld jout lûd’, ‘Faam en laam, in resept’, ‘De libbene bôle, in pastorale’ en ‘De reis fan de iensume reus’ verdienen applaus. Meer dan eens flikkert Van der Wal uit de trapeze, maar al met al zet hij met Subsydzje foar de Graal toch een memorabele act neer in de Fries-literaire piste.

    Niet eerder gepubliceerd, maart 2004.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged , , , , , , . Bookmark the permalink.