Albertina Soepboer, De fjoerbidders

    Over: Albertina Soepboer, De fjoerbidders, Bornmeer, Ljouwert 2003.

Albertina Soepboer, De fjoerbiddersVladimir Majakovski zou niet warmgelopen zijn voor de poëzie van Albertina Soepboer. In zijn lange gedicht Een wolk in broek uit 1915 zette de Russische futurist en revolutionair een tragische liefdesgeschiedenis neer in het epicentrum van een kolkende metropool, doorschoten met pamflettistisch commentaar op de maatschappelijke en artistieke actualiteit, en in een ademnood veroorzakende taal die radicaal brak met alle romantische en symbolistische conventies. Zo niet Albertina Soepboer. Haar nieuwste dichtbundel De fjoerbidders heeft eveneens een droeve liefdesgeschiedenis tot onderwerp, maar het decor beperkt zich tot een flat en een nabijgelegen suikerfabriek aan de rand van een provinciestad, waar weinig meer wereld doordringt dan Satie-muziek. En zo clichématig als dat pianogepingel inmiddels in veler oren klinkt, zo sleets klinkt een deel van de metaforiek waar Soepboer, niet minder dan in eerdere bundels, zich in De floerbidders van bedient. De ‘moanne’ – door Majakovski al seniel genoemd – fungeert bij haar nog steeds als stemvork binnen een romantische kosmos, die verder al even voorspelbaar gevuld is met ‘sinne’, ‘planeten’, ‘stjerren’, ‘ierde’, ‘himel’, ‘loft’ en ‘wolken’, en waarvan de subjectief-emotionele pendant neerslaat in conventionaliteiten als ‘dream’, ‘hert’, ‘bloed’ en ‘triennen’.

In haar vorige bundels leek dit onbekommerd hanteren van stereotiepe beelden en symbolen soms literaire naïveteit te verraden – alsof ze, ook in de Friese literatuur, niet allang tot op de draad versleten zijn, zo niet bij Simke Kloosterman dan toch zeker bij Baukje Wytsma. Maar in De fjoerbidders doet zich dan iets merkwaardigs voor. Over dat negentiende-eeuwse begrippencomplex heen weeft Soepboer een net van ongewoon originele en concrete metaforen, die niet alleen de bundel een grote cohesie verlenen maar zich ook als contrapunt verhouden tot dat dof geworden jargon en er daardoor weer glans aan geven, of er althans nieuw licht op werpen. Het sprekendst is wel de knappe, want zowel direct aanvaardbare als gedurfde wijze waarop suikerbieten en suiker de hele bundel door tegelijkertijd concreet en metaforisch aanwezig zijn: grondstof en product, klei en (aardse, lijfelijke) liefde. Zo’n twintig jaar of meer geleden bevatte de Leeuwarder Courant een vers waarin de dichteres (ik ben vergeten wie) haar ik-figuur seks liet hebben met een vuurtoren voor ogen; tranen met tuiten heb ik me toen gelachen. Soepboer daarentegen overtuigt volledig wanneer ze schrijft: ‘Lykas de jonge biten yn fette klaai, sa / glieden de heupen neiïnoar ta, woeksen.’

Wat daarbij helpt, is dat De fjoerbidders erg geconcentreerd is. Dat komt niet in de laatste plaats doordat de bundel thematisch feitelijk één lang gedicht is, over een liefdesrelatie die ongelukkig afloopt, waarbij de dichter onmiskenbaar meer persoonlijke betrokkenheid heeft dan bijvoorbeeld bij de aanleidingen voor de literatuurderige reeks ‘De helden op ’e brêge’ in haar voorgaande bundel De stobbewylch. Dat De fjoerbidders strak in de vorm zit, werkt ook erg mee. De bundel telt vijf afdelingen, getiteld Song 1 tot en met Song 5, van elk zes gedichten bestaande uit vier strofen van twee regels; de zinnen overschrijden nergens de grenzen tussen de strofen; elk van de afdelingen wordt voorafgegaan door een passage uit een Engelstalige popsong. Ten slotte pakt de overwegend onretorische taligheid die Soepboer in De fjoerbidders hanteert gunstig uit. Ze houdt haar zinnen kort en kapt ze soms zelfs af; qua rijm beperkt ze zich voornamelijk tot alliteratie, eindrijm ontbreekt; en buiten het romantisch-symbolische paradigma dat haar nu eenmaal eigen is maar gelukkig geen monopolie heeft, benoemt ze concrete dingen in concrete taal, die niettemin gelaagdheid bevat: ‘Sy wie syn oare nacht, ik soe net komme. / Ik luts him de râne oer. Ik biet har stof.’

Aan de strakheid en intensiteit van de bundel wordt helaas afbreuk gedaan door de citaten uit popsongs, die te lang zijn om als kernachtig motto te dienen en die zonder de bijbehorende muziek aan zeggingskracht inboeten. Het geeft de bundel een dissonante galm mee en ook een zekere gedateerdheid. (Tussen haakjes: de te nadrukkelijke vormgeving van de bundel heeft dezelfde effecten. ‘It bylket te bot’, deze trendy overdesign, waardoor het te veel een statement van de grafisch ontwerper is ten koste van de stem van de dichter.) Niettemin heeft Albertina Soepboer met De fjoerbidders haar tot nog toe beste bundel gepubliceerd. Elk van haar vorige bundels bevatte wel enkele gedichten die minder voortgekomen leken te zijn uit innerlijke noodzaak dan uit de wens Echte Literatuur te schrijven. Zo niet in het toch erg literaire De fjoerbidders: niet eerder zat deze dichter zichzelf zo dicht op de huid, en dat een bundel lang. Majakovskisch of anderszins avant-gardistisch is de bundel niet, en postmodern evenmin: zo bezien is het wel raar dat Soepboer (1969) steeds aangewezen wordt als koploper van een lichting dichters waar ook Tsead Bruinja (1974) en Elmar Kuiper (1969) toe gerekend worden. Want het vertrekpunt vanwaaruit zij dicht, is eigenlijk onhip en zonder expliciete poëtica. Maar dat maakt wat zij in De fjoerbidders doet des te interessanter. De these-antithese-synthese-achtige clash tussen literaire conventie (‘moanne’), het hier-en-nu (‘bytfabryk’) en persoonlijk ervaren haalt het beste uit haar dichterschap naar boven: ‘As ûngetider yn it dearyp hea rikke ik / doetiid op, in âld hûs, de wylde roas.’ Ik loop er warm voor.

    Niet eerder gepubliceerd, september 2004.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged , , , , , , . Bookmark the permalink.