Pier Boorsma, Net allinne genôch

    Over: Pier Boorsma, Net allinne genôch, Koperative Utjowerij, Easterein 2005.

Kenmerkend voor Net allinne genôch is een zekere karigheid. Pier Boorsma deelt niet uit met kwistige hand: het boekje telt slechts achttien gedichten, met zeven een- en tweeregelige ‘tesen’ als zuinige toegift. Afgemeten is ook de taalhantering, met een doorgaans onopgesmukte woordkeus en zinsbouw, en een orthografie die het hoofdletter- en interpunctieloze minimalisme vertoont uit de tijd waarin Boorsma (1944) ooit debuteerde (1971). Ten slotte laat Boorsma zich als een sobere dichter kennen in de toepassing van poëtische middelen; ze bestaan in Net allinne genôch in hoofdzaak uit het her en der, maar lang niet overal, aanbrengen van eindrijm.

De dichter die slechts spaarzaam put uit het retorische arsenaal dat hem ten dienste staat, maakt het zichzelf niet makkelijker. Het literaire procédé waarop hij zijn kaarten zet, bestaat uit het des te pregnanter laten uitkomen van de gedachte, de idee, door af te zien van poëtisch effectbejag in de verwoording. Het is niet het procédé van de lyricus of de narrator, maar dat van de dichtende filosoof. Boorsma is zo’n dichter; echter zonder te overtuigen. Dat heeft twee oorzaken.

Ten eerste is het levensbeschouwelijke gedachtegoed dat Boorsma etaleert te obligaat om onder de handen van welke dichter dan ook hedentendage veel zeggingskracht te kunnen krijgen. De filosofische lectuur van Boorsma, de invloed van Obe Postma en de referenties aan Rilke ten spijt, reikt de belangrijkste thematiek van zijn bundel weinig verder dan de idee dat in de vergankelijke verschijningsvormen, bijvoorbeeld in een verweerde mannenkop (‘d’âldman’), het diepere wezen doorschemert en dat in het tijdelijke toch ook het eeuwige besloten ligt, bijvoorbeeld dankzij de herinnering (‘jierren lyn’) of de keten van de voortplanting (‘oer opgong en delgong’). Het is in dit besef dat deze dichter zich – jawel, anno 2005 – verbonden voelt met de kosmos: ‘en ienlik yn it hielal / bin ik it suverste kristal’. Wat hem gegund is, maar hij geeft er te expliciet uitdrukking aan, en of je zo’n thematiek nu opdoft in een weelderige stijl of dat je die talig stript, niemand die er nog van opkijkt.

Ten tweede zijn Boorsma’s vormbeheersing en stijl bij alle soberheid helaas zelden fernimstich en doen ze integendeel vaak eerder knoffelich aan. Nergens geven strofebouw, regelscheiding of ritme extra dictie aan het gedicht. Er zijn kromme formuleringen (‘yn myn geasteseach / sjoch ik my delstoarten fan trije heech’), inconsistente metaforen (‘ik bin hjir inkeld rekwisyt / fan har ynderlik klimaat’), onnodige herhalingen (‘hjir bin’ de grûnfoarmen / fan myn siele lein / al wêr’t ik gyng lang om let / de grûntoanen wienen foar altyd set’) en clichés (‘plúskes op ’e wyn’, ‘stjerrerein’). Rijmdwang leidt tot stoplappen (‘lang om let’) en geforceerde woordkeus (‘dichtertoan’). Ronduit vervelend zijn apodictische gedichten als ‘kristallografy’ en ‘oer tiid leafde en dea’ en de zeven al genoemde stellingen waarmee de bundel eindigt, van het type ‘yn it hielal is gjin tiid’ en ‘sûnder tiid gjin kapitalisme’. Terwijl de hoofdthematiek zoals gezegd ook al niet meewerkt, heeft Boorsma’s ontoereikende taalhantering als gevolg dat vorm en stijl geen spanning zetten op wat hij mee wil delen, waardoor zijn poëzie weinig biedt en zelden boeit.

Maar soms treft Boorsma toch doel door een indringend beeld, zoals in ‘sjoch ek hoe’t my de mûle stiet / krekt boppe de tsjeak / as in frjemde winkelheak’. En twee gedichten, wel niet toevallig allebei minder kosmisch of filosofisch dan andere, steken een eind boven de rest uit: ‘psychografy’ en vooral ‘in memoriam matris’. Zoals Eric Hoekstra in zijn recensie voorspelde, zal ‘in memoriam matris’ ongetwijfeld – en wat mij betreft met recht – de bloemlezingen halen. Niet omdat het een vlekkeloos gedicht is, maar omdat de onhandigheidjes erin ondergeschikt zijn of zelfs bijdragen aan de emotionele lading ervan. De vraag is echter of ‘psychografy’ en ‘in memoriam matris’ het gelukkige resultaat zijn van een dichterschap dat het in zich heeft om vaker tot dergelijke resultaten te komen of dat het om toevalstreffers gaat. Ik vrees het laatste. Hoe dan ook, twee overtuigende gedichten vormen zelfs in een dun boekje als Net allinne genôch een te magere oogst.

De voorgaande overwegingen leiden tot een oordeel dat afwijkt van de meningen van de critici. Net allinne genôch heeft een goede pers gehad. Weliswaar moet de relatieve buitenstaander Jelle van der Meulen op zijn website naast veel lof voor het gedicht ‘psychografy’ ook kwijt dat hij een paar gedichten ‘helemaal niks’ vond, maar Eppie Dam in Trotwaer, Babs Gezelle Meerburg in de Leeuwarder Courant, Eric Hoekstra in Hjir, Henk van der Veer in het Sneeker Nieuwsblad en last but not least Abe de Vries op Farsk zijn redelijk tot zeer te spreken over het gebodene. Opvallend daarbij is dat sommige critici uitweiden over het feit dat Boorsma weinig en sporadisch publiceert – Net allinne genôch is na De neidagen fan in keamerhear (1971) en Under frjemde wetten (1978) zijn derde bundel, gedrieën bevatten ze zo’n vijftig gedichten – en dat zij dat positief lijken te waarderen. Boorsma gunt zijn gedichten de tijd te rijpen, zo schrijft Gezelle Meerburg. Mij lijkt dat een misvatting; elk van de critici noemt toch ook een aantal minder of niet goed bevonden gedichten. Naar mijn mening is hun aantal in Net allinne genôch te groot en wijst deze bundel op een weinig acuut en niet erg actueel dichterschap.

    Niet eerder gepubliceerd, februari 2006.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged , , , , , , , , . Bookmark the permalink.