Willem Abma, Te fûnling

    Over: Willem Abma, Te fûnling. Gedichten, Utjouwerij Frysk en Frij, Ljouwert 1999.

De ruim zeventig(!) gedichten die Willem Abma’s bundel Te fûnling telt, zijn ondergebracht in zes titelloze afdelingen. Daarvan vertonen de eerste en de vierde (met respectievelijk achttien en zeven gedichten ook de grootste en de kleinste) de meeste thematische samenhang. De korte, aan haiku’s herinnerende natuurobservaties in afdeling IV zijn, doordat grote woorden en gewrongenheid ontbreken, weinig typerend voor de bundel als geheel. Veel karakteristieker is de nogal programmatische afdeling I, waarin de dichter zich probeert te verhouden tot zijn eigen schepping alsook stelling neemt tegenover hem aan wie zijn schepping zich zal openbaren: de lezer, die in zijn slechtste hoedanigheid de gedaante aanneemt van recensent.

In het eerste, tevens titelgedicht, dat misschien het meest geslaagde van de bundel mag heten, geeft Abma met een overvloed aan bijbelse, klassieke en eigentijdse metaforiek – men kan er althans uit opmaken dat de dichter met WordPerfect werkt – uitdrukking aan zijn inzicht dat de dichter door zijn eigen gedichten te vondeling wordt gelegd. Niettemin illustreert het gedicht ‘Te fûnling’ tegelijkertijd waar de hele bundel aan lijdt: er is een tekort aan logische en metaforische consistentie en aan poëtisch raffinement. (Een voorbeeld van het eerste in ‘Te fûnling’ is ‘dêr lei dyn hert dat kloppe / as wie ’t ûntstien út jiske’; voorbeelden van het laatste zijn de niet-functionele inversie in ‘yn kompjûtertaal / […] datst biste as prosesferbaal’ en de semantische redundantie in ‘as in poppe / […] / yn jarre en stront en groppe’, beide het kennelijke gevolg van rijmdwang.)

Ooit wellicht taboedoorbrekend maar nu tamelijk hilarisch, is het toch serieus bedoelde gedicht ‘de dierlike dichter’, waarin dichter en dekhengst samenvloeien tijdens het bespringen van een merrie. Eveneens door een teveel aan (nurkse) ernst komt ‘foardracht’ niet uit de schaduw van ‘Frysk dichter’ – een vers vol zelfspot – van Fedde Schurer, waarvan het een reprise lijkt te willen zijn. Abma moet het niet hebben van lyrische nuances of epische verbositeit en eigenlijk evenmin van cerebrale diepgang, al doet hij juist daar pogingen toe. Wel verrast hij soms door een enkele goed getroffen punch line – steeds betreft het de laatste regel(s) van het gedicht – met aforistische dictie, zoals ‘in lêzer lêst him minder âld’ of ‘as in moarntiid de dei / wiuwt wa’st wieste dy nei’.

De bundel is niet alleen arm aan thematische eenheid, ook naar formele samenhang moet men zoeken. Qua lengte variëren de gedichten van vijf tot 74 regels, redelijk vormvaste gedichten op rijm komen voor naast rijmloos parlando, en conventioneel hoofdletter- en interpunctiegebruik wordt afgewisseld met een zeer spaarzaam gebruik of volledige afwezigheid daarvan. Kan er algemeen gesproken reden zijn om een dergelijke diversiteit positief te waarderen, hier krijgt de lezer een allegaartje voorgeschoteld waarbij functionele afwisseling die bijdraagt aan meer zeggingskracht ontbreekt. De bundel vormt geen organisch geheel. Deze constatering, de ouderdom van sommige gedichten – een bibliografische verantwoording of colofon ontbreekt (wat in de bundel ‘Kolofon’ heet, is feitelijk een c.v.), maar één gedicht vond ik zelfs terug in een tijdschrift uit 1987 – en de opname van gelegenheidswerk, dit alles wekt de indruk dat Te fûnling werk bevat dat bij eerdere bundelingen overgeschoten is.

Afzonderlijke vermelding in negatieve zin verdienen ten slotte de opgenomen vertalingen. Bij de vier vertalingen ‘nei [= naar] Wislawa Szymborska’ is de suggestie dat het hier vertalingen van oorspronkelijke gedichten betreft onjuist: het blijkt te gaan om nagenoeg woordelijke overbrengingen in het Fries van eerder door Gerard Rasch gepubliceerde vertalingen in het Nederlands. De vertaaltechnische vindingrijkheid van Abma zelf is in deze ‘vertalingen’ nihil, evenals in zijn vertalingen van gedichten van Gerhardt, Lodeizen, Rilke en Heaney. De vertaling van Rilkes ‘Die Gazelle’ heet bij wijze van uitzondering niet ‘nei’ maar ‘frij nei’ het origineel te zijn, maar het ‘vrije’ van die vertaling blijkt bij vergelijking vooral een eufemisme voor verlies van rijm, metrum en strofebouw. Weergave van de vertaalde originelen wordt in Te fûnling overigens gemist.

    Niet eerder gepubliceerd, april 2000.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged , , , , , , , . Bookmark the permalink.