Bartle Laverman, Kophimmelje

    Over: Bartle Laverman, Kophimmelje, Koperative Utjowerij, Boalsert 1999.

Geen taaluiting die helemaal nergens over gaat natuurlijk, maar de 24 tekstjes die Bartle Laverman in Kophimmelje gebundeld heeft, hebben wel erg weinig om het lijf. Wat houdt deze dichter eigenlijk bezig, en hoe diepgaand? Met een flinke dosis welwillendheid zou men de thematiek van Kophimmelje kunnen karakteriseren als een hard NEE! contra christendom en een luid JA! pro hedonisme. Een nogal omineuze omschrijving van wat de bundel daadwerkelijk te bieden heeft: grotendeels blikkerig getier tegen een calvinistisch spook uit het verleden, en weinig sjeuïge opsommingen van wat de dichter en de zijnen tijdens een maaltijd zoal verstouwen van voorgerecht tot toetje. In beide blijft Laverman pijnlijk dicht aan de oppervlakte: een beetje intelligentie of sensibiliteit komt er niet aan te pas.

Ieder heeft recht op z’n eigen achterhoedegevecht, maar Lavermans poging tot afrekening met kerk en klootjesvolk is door andere auteurs binnen de Nederlandse staatsgrenzen al talloze keren beter gedaan – vele decennia geleden. Stereotiepen en platitudes zijn de wapens waarmee Laverman zijn windmolens te lijf gaat. Ze ontnemen de teksten elk mogelijk satirisch effect: ‘kenst dat tuich wol: / sa’n hûnekop / mei griis krultsjehier derop’, ‘om te libjen / moat ik deadzje: / ik kin dus gjin kristen wêze’, ‘de griffermearde God / hâldt net fan poësij / oars hie Er syn tsjerkfolk / allang de tongspier / ferlamme!’. Humor, understatement of ironie behoren evenmin tot Lavermans arsenaal als het vermogen het wezen van zijn vijand dan wel de oorsprong van zijn eigen woede uit te benen. Er is niet zozeer sprake van sarcasme als wel van slecht navoelbare overstuurheid: ‘maklik sat / maklik sat!’, ‘klootsak!’, ‘kill, kill!’, ‘gedferdemme!’, ‘gut, gut, dat is lijen!’.

En dan dat hedonisme… dat komt dus voornamelijk neer op gezamenlijk smikkelen en smullen, maar zonder dat de lezer er imaginair in deelt. Laverman weet de opgediende lekkernijen in de verste verte niet zo te schilderen dat ook de lezer het water in de mond loopt. Zijn voornaamste stijlprocédé, naast de kreet-met-uitroepteken – ‘aan tafel! / bij de rood gevulde glazen!’; waarom gebruikt de dichter hier trouwens Nederlands? – is het opsommende lijstje: ‘jirpels mei frânske tsiis / slaad mei knoflookdressing / blomkoal, beantsjes / fan dy moaie lange tinne’; ‘wylst op it âlde frânske board / de salm yn prei en koriander leit / asperzjes en siedende oliifoalje deroer / de pot mei suerkoal / pronkje guozzelevers op / en dêr de pykjes / yn dûbelpûle grutte beane’; enzovoort. Ik krijg er maar geen trek in.

Misschien moet men die 24 teksten in Kophimmelje inderdaad gedichten noemen: ze vertonen immers vrije regelval en witregels. Poëzie is er echter ver in te zoeken. De teksten moeten het doen zonder pregnante dictie, zonder semantiek met een verhoogd soortelijk gewicht, zonder manifestaties van een geïntensiveerd taalbesef. Uit Lavermans toelichting op het gebruik van wat hij ‘Eurofrysk’ noemt, mag opgemaakt worden dat de teksten dicht bij zijn spreektaal staan (waarmee dan het bladderende Fries en de ‘gjalperichheid’ in de bundel weliswaar misschien verklaard, maar niet verantwoord zijn). Maar ook als men de teksten zou willen onderbrengen in het genre van het parlando-gedicht, schieten ze in poëtisch opzicht tekort: er waait geen geest door, er klopt geen hart in, er klinkt geen stemhebbend geluid uit op.

Kophimmelje laat opnieuw zien dat het dichterschap van Laverman, ooit van start gegaan in een tijd dat een merkwaardige misvatting opgeld deed over wat poëzie kenmerkt, nauwelijks ontwikkeling doormaakt. De bundel is, ondanks verwijzingen naar Syb van der Ploeg en Meindert Tjoelker, in wezen een relict uit de late jaren zestig, zonder museale, laat staan actuele literaire waarde.

    Niet eerder gepubliceerd, augustus 2000.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged , , . Bookmark the permalink.