Jan Kooistra, Gershipper

    Over: Jan Kooistra, Gershipper, Koperative Utjowerij, Boalsert 1998.

Gershipper van Jan Kooistra appelleert in tweeërlei opzicht sterk aan het vormbewustzijn van de lezer: de bundel is nadrukkelijk gedesigned en bevat vooral vormvaste, rijmende gedichten, min of meer thematisch in vijf afdelingen ondergebracht. ‘De Swijers’ is een tweeluik over een moeizame vader-zoonverhouding. De twee maal zeven gedichten in de afdelingen ‘As in mantsjeputter’ en ‘Muorreblommen’ gaan over door relatie- en gezinsbanden gebreidelde (erotische) vrijheidsbeleving respectievelijk pril oudergeluk. De drie gedichten in de afdeling ‘Damwâldsterreedsje’ vonden een gemeenschappelijke aanleiding in de locatie genoemd in de titel van de afdeling. En in de afdeling ‘Gershippers’ houden zich veertien niet elders onder te brengen ‘krekels’ op, waarvoor de bundel als geheel niettemin een natuurlijke biotoop vormt. Gershipper eindigt met enkele toelichtende noten en opent met een citaat van William Blake.

De thematische onderverdeling heeft een zekere parallellie in de variatie qua strofebouw en regellengte. Opnieuw hipt de vijfde afdeling buiten het gareel: de regelaantallen variëren er sterk en er komen gedichten in voor met een ‘losse’ strofebouw en zonder eindrijm. Die laatste gedichten zijn niet de sterkste. Kooistra is beter op dreef wanneer hij zijn bloembollen plant binnen duidelijke perken. Gezien het ongelukkige rijm in rjocht[et] er : tichter en het kennelijk enkel door rijmdwang gemotiveerde, regiolectische(?) free en reen (naast ABF rein), reikt Kooistra’s technische vaardigheid niet tot in z’n vingertoppen. Maar veelzeggender vind ik toch de blijken van zijn streven – geen onvermogen maar keuze – om binnen de traditie van het ‘gebonden’ vers iets eigens te doen: hij is geen vastgeroeste sonnettenbakker. Niet zelden onderbouwt de vorm zodoende de inhoud. In ‘De Swijers’ contrasteert de ‘alexandrijnse’ regellengte prachtig met het erin beschreven taalarme vader-zooncontact (en roept de Tsjêbbe Hettingaëske beeldenvloed een mytische sfeer op). In de papa-kindgedichten ‘Molke’ en ‘Huning’ is daarentegen heel toepasselijk voor korte regels en zinnen gekozen. En natuurlijk is ook het ontbreken van een regelmatige structuur en rijm in het slotgedicht ‘Wurd rymt’, met de vertwijfelde slotregels ‘om dan wer / en hoest it rymje kinst’, op zichzelf een adequate keuze.

Het eerdergenoemde citaat van Blake – over wijsheid die niet met zang en dans maar met verlies van huis en haard betaald wordt – lijkt een ironisch commentaar op de twee-stemmen-uit-één-keel die uit de bundel opklinken: die van de ongebonden vrijbuiter die de dichter ooit dacht te zijn en die van de oudere jongere die hij nu is, melancholisch omdat hij zich imiddels gezegend weet met vrouw en kinderen. Maar ironie noch melancholie vormt het leitmotiv van de bundel. Die voegt zich veeleer in het koor waartoe eerder ook de dichters Eppie Dam en Jacobus Q. Smink zijn toegetreden: dat van de tot bedaren gekomen huisvaders, die met smalle en soms malle woordjes hun kroost behummen. Ook Kooistra weet dat soms in literaire zin hebbelijk te doen, maar cliché en sentiment liggen op de loer, zoals in ‘Sudewyn famke’, waar ‘eagen as markes / dêr’t stjerren yn swimme’ goddank gevolgd wordt door ‘stribbige wankjes’ en ‘reidmoskjelûden’, maar dan nog.

Clichés zijn evenmin afwezig in die gedichten waarin de eerdere, nu dan opgegeven vrijgevochtenheid herdacht wordt. Die ‘kûpeltsjes fan tytsjes’, alla, maar ‘hoe’t ik […] as in jonge yn dyn poarten ride mei’ riekt naar de Chick, en komen die ‘delten fan Venus’ misschien uit het oeuvre van R.R. van der Leest? Niettemin zie ik voldoende compensatie in het speelse vernuft dat bijvoorbeeld tot uiting komt in het ongebruikelijke rijmschema abac / cdcd / debe van ‘Hja is it wurd’, in het light-verse-rijm brune billen : Stones en Dylan, en met name in het woordenspel dat Kooistra ten beste geeft in ‘Hja is it wurd’ en in ‘Mei de bear yn ’e put hie ik wurden’, eindigend met de regels ‘it lid derop! ik wit wol dat er my te sizzen hat / dat ik him yn myn put as miich mar daaie moat’.

    Niet eerder gepubliceerd, augustus 2000.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged , , , , , . Bookmark the permalink.