Albertina Soepboer, De stobbewylch

    Over: Albertina Soepboer, De stobbewylch, Utjouwerij Bornmeer, Ljouwert 2000.

Er zit veel herinnering in De stobbewylch, vooral aan de jeugd maar ook aan voorbije liefde. Veelzeggend is dat het inleidende en het afsluitende gedicht beide geschreven zijn vanuit het perspectief van een kind – ‘Letter soe ik wol grut wurde’ – dat een schuilplaats heeft bij een ‘stobbewylch’: de knotwilg waaraan de bundel zijn titel ontleent. De ‘ik’ in een aantal gedichten keert terug naar het landschap van haar verleden, dat aan zee en in het Noorden ligt, en reist, herinneringen ophalend, tussen toen en nu. Behalve door de tijd, die zich misschien binnen het gedicht even laat manipuleren – stilzetting, omkering – maar verder onverbiddelijk is, bestaat er ook afstand vanwege de ontoereikendheid van taal: ‘wy witte dat ús taal stjert’, ‘yn praattaal koe ik my net uterje’, ‘en ik de wurden net mear weromfine kin’, ‘ik kin dyn taal net teplak bringe’.

Herinnering, begrensd door tijd en taal, is vooral thema in de eerste en grootste afdeling (tien gedichten) van de bundel, ‘Oan it Waad’. De vier gedichten in de tweede afdeling, ‘Havensankjes’, zijn zeemansliederen, waarin een wat archetypische sfeer van het leven op zee tot uitdrukking komt en waarin een ‘ik’ afwezig is. In de eerste drie gedichten wordt daarbij speels geëxperimenteerd met opsomming, herhaling en omzetting van woorden, waarmee het onophoudelijke klotsen van de zee lijkt te resoneren in de tekst. Ook de typografie is minder alledaags, met name in ‘De wynroas’: daarin zijn telkens vier regels – voor elke windstreek één – om een stip gegroepeerd als de letters N, O, Z en W rond een windroos. Het zijn zowel ongebruikelijke als effectieve middelen, die, met alle verschil, herinneren aan wat Jaep de Jong liet zien in zijn bundel Oare plakken uit 1985.

Zeker na deze ‘Havensankjes’ valt de derde afdeling, ‘De helden op ’e brêge’, tegen. De vier gedichten in die afdeling lijken nog te veel vast te zitten aan een anekdotische aanleiding die de lezer niet kent en spreken daardoor weinig aan. In het daaropvolgende lange ‘Liet van dea en leafde’, dat een eigen afdeling vormt, bestaat weer wel evenwicht tussen het particuliere en dat wat dichter en lezer bindt. Het ballade-achtige treurlied bij het afscheid van een geliefde, een elegie bijna, combineert soms verrassende metaforen (‘dyn wurden falle as âld wetter’, ‘dyn liif leit als twiljocht nêst my’) met gedragen en gewichtig poëtisch jargon (‘dearead is leafde is readdea’, ‘om te witten wat ús siel bewennet’). Het is bijna bombastisch, maar binnen de context misschien toch niet onfunctioneel.

Ballade-achtig opgebouwde gedichten met al dan niet gevarieerde stockregels komen binnen De stobbewylch vaker voor. Ook aanwezig door de hele bundel heen is een landelijke, wat archaïsche setting – zee, aarde, wolken, weiland, nacht, sterren, maan – met bijbehorende traditionele woordkeus en beeldspraak: ‘De stjerren binne op bêd gien’. Veel droom ook, en de merkwaardig geëxalteerde uitdrukking ‘at myn skurte dyn sied opheint’. Het gedicht ‘De swalker’ illustreert binnen één strofe dat de stijl van Soepboer soms nogal opzettelijk is maar ook veel subtieler kan zijn: de tegenstelling oud–nieuw in ‘Alde mantsjes stjonke nei nije jarre’ is naar mijn smaak te makkelijk, maar dat die naar verse gier riekende opaatjes ‘de eare yn ’e groeden fan ’e Fryske grûn’ verspreiden, vind ik een aardige concretisering van sleetse regels uit een in Heerenveen veelvuldig gezongen refrein. Jammer dat die reminiscentie verderop in de bundel weer geëxpliciteerd wordt doordat de betreffende regels uit het Friese volkslied afgedrukt zijn als motto voor het ‘Liet van dea en leafde’. Ook de andere afdelingen hebben elk een motto meegekregen, en van elk van hen ontgaat mij de relevantie; ze lijken niets toe te voegen en doen eerder afbreuk aan de eenheid van de bundel.

De stobbewylch is dus in meerdere opzichten weinig vernieuwend of zelfs maar eigentijds te noemen. Misschien hoeft dat ook niet, zelfs al is Soepboer, zoals de achterflap meedeelt, van lichting ’69. Misschien is het voldoende dat uit de bundel desalniettemin een onmiskenbaar eigen geluid opklinkt en dat in elk geval de ‘Havensankjes’ toch van experimenterende creativiteit getuigen. Zo bezien verdient De stobbewylch dan binnen het huidige aanbod van Friese poëzie zeker waardering.

    Niet eerder gepubliceerd, maart 2001.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged , . Bookmark the permalink.