Willem Abma, Kuiers of definysjes fan in ik

    Over: Willem Abma, Kuiers of definysjes fan in ik. Proazagedichten, Utjouwerij Frysk en Frij, Ljouwert 2000.

De jongste bundel van Willem Abma is op te vatten als een logboek van ‘kuiers’ die de dichter maakt door het landschap van zijn leefomgeving en tegelijkertijd door het landschap van zijn eigen persoonlijkheid. Aansluitend is er dan uiteraard de ‘kuier tusken harsenkwabbe en papier’. Observatie en introspectie wisselen elkaar voortdurend af, waarbij het eerste doorgaans aanleiding vormt voor het tweede. Die introspectie leidt tot wat in de titel fan de bundel ‘definysjes fan in ik’ genoemd wordt, en die definities zijn niet erg opwekkend. De wandelaar bekijkt de dingen rondom en binnenin zichzelf met een afstandelijk, objectiverend oog; zo is er als regel geen sprake van de eerste maar van de derde persoon. Maar daarmee is de eigen subjectieve identiteit niet buiten werking gesteld, dus treden ‘hij’ en ‘ik’ soms beide op, overigens zonder ooit samen te vallen. En aangezien de eigen identiteit in belangrijke mate gevormd is door het verleden, speelt ook de herinnering een in dit geval weinig opbeurende rol. Dat de ‘hij’ zichzelf ‘solist’ en solipsist’ noemt, laat bovendien onverlet dat het misschien wel de toevallige voorbijganger is die bepaalt wie hij is: ‘Wa definiearret wa?’.

Uiteindelijk gaat het allemaal om het aloude to be or not to be; om het lied van schijn en wezen; om tijdsbesef, zelfbewustzijn, persoonlijkheid. Veelomvattende begrippen met uitgesproken filosofische en psychologische implicaties. Abma gaat ze met een welhaast monomane inzet en helaas ook met een loden ernst te lijf. Het heeft een dikke bundel opgeleverd van 44 Romeins genummerde gedichten, die – nummer XLI even daargelaten – tien tot 71 regels tellen. Nummer XLI is een geval apart: het is onderverdeeld in subnummers I–X, waarvan IV weer opgesplitst is in 1–3. Al met al een woordenvloed die af en toe obsessief aandoet, niet alleen vanwege de hoeveelheid op zich, maar vooral ook door de verabsoluterende toon, de vele abstracte begrippen, de talrijke elliptische zinnen en de apodictische oneliners die van begin tot eind op die vloed meedrijven.

De lezer krijgt zodoende zware kost te verstouwen. Niet omdat het volgen van het verloop van deze zelfanalyse nu zoveel specialistische scholing zou vergen; daarvoor zijn de constateringen en conclusies ondanks de hoge inzet van de dichter te veel van de koude grond. Wel omdat Abma het doel dat hij zich kennelijk gesteld heeft najaagt alsof zijn existentie ervan afhangt, zodat er weinig ruimte blijft voor poëtische fijnzinnigheid en frivoliteiten. Goed, het gaat dan ook om ‘proazagedichten’, de dichter pretendeert beslist geen l’art pour l’art te maken. Gezegd moet ook worden dat Abma binnen dat kader toch af en toe een rake uitdrukking of een treffend beeld voorschotelt, en bovenal dat er van zijn grote, zij het dan ook egocentrische engagement met de ‘hij’ die eigenlijk het ‘ik’ is, wel een zekere fascinatie uitgaat. Ook dat laatste lijkt mij een literaire kwaliteit. Die fascinatie nodigt een lezer met minstens zoveel belangstelling voor de vent als voor de vorm dan toch uit om voor de duur van deze bundel met de wandelaar op te lopen tijdens zijn vreugdeloze zoektocht naar zichzelf, om vervolgens opgelucht weer afscheid te kunnen nemen.

    Niet eerder gepubliceerd, maart 2001.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged . Bookmark the permalink.