Wilco Berga, Eilânliet / Eilandlied

    Over: Wilco Berga, Eilânliet / Eilandlied. Gedichten, schilderijen, Utjouwerij Fryslân, Ljouwert 2000.

Wilco Berga, EilânlietNiet altijd is het geheel meer dan, of zelfs maar gelijk aan de som der delen. De dichter en beeldend kunstenaar Wilco Berga wisselt in Eilânliet / Eilandlied zeventien gedichten af met tien afbeeldingen van schilderijen en een plastiek, echter zonder dat het een iets toevoegt aan het ander. Eerder omgekeerd: zeker de schilderijen die minder Benner- dan Berga-achtig zijn, vlakken de expressiviteit van de gedichten af. Ook het afdrukken van zowel een Friestalige als een Nederlandstalige versie van elk gedicht geeft de bundel een dubbelheid zonder meerwaarde. Nergens valt uit op te maken welke versie Berga zelf als de oorspronkelijke beschouwt en welke als de vertaling. Maakt het hem niet uit dat, om maar wat te noemen, de laatste strofen op p. 30–31 qua regelscheiding sterk van elkaar verschillen, en vindt hij een zinsnede als ‘alles skildere yn grutte halen’ volstrekt inwisselbaar met ‘alles met verve geschilderd’? Dat zou me dan van hem tegenvallen, want een beetje dichter weet: een gedicht is slechts in één vorm en in één taal optimaal.

Ik beperk me verder tot wat de bundel aan Fries bevat. Het gaat om zeventien paginalange, rijmloze gedichten vol landschappelijkheid en landelijk leven (met inbegrip van dorp, haven, veerboot, eiland), zoals we al een decennium lang van Berga gewend zijn. Ze bieden melancholieke, traag langstrekkende stemmingsbeelden, niet zelden aangevuld met terugblikken in de tijd. In het laatste voorziet de dichter door middel van jeugdherinneringen (‘Hûs op fean’, ‘De wrâld’, ‘Liet fan oaren’, ‘Dream ik my iis’) of door te refereren aan voorvallen die het landschap verbinden met de geschiedenis (‘Lykas wolken’, ‘Doarp mei flaggen’). Vier gedichten hebben echter een wat andere thematiek. Het introspectieve ‘Safolle hikken’ is hooguit pastoraal in zoverre het een landschap van de ziel schildert; in ‘Winkelfammen’ en ‘Krieën op it lân’ komt de ik-figuur zichzelf tegen in de ontmoeting met anderen, als ‘de lompe mei it boadskip’ tegenover een winkelmeisje of te midden van ooms en tantes op een verjaardagsfeestje; en ‘Liet fan oaren’ is een in memoriam voor een dwingende, duistere muziekleraar.

Technisch en typografisch bezitten de gedichten niets opmerkelijks. Gezien het feit dat zes van de zeventien gedichten, net als de bundel zelf, in hun titel het woord ‘liet’ voeren, hoeft dat niet te verbazen. De gedichten hebben het karakter van mijmerende folksongs, die het moeten hebben van klank, ritme, adem: een eigen stemgeluid. Wilco Berga heeft dat, ook op papier. Hij dicht als een singer-songwriter met gitaar, zonder mondorgel of percussie voor begeleidende effecten, maar ook zonder te vervallen tot ge-la-la-la. Het geluid dat hij voortbrengt, is sonoor maar niet monotoon. Bovendien heeft hij het vermogen te schrijven in weliswaar weinig spectaculaire, maar toch sferische beelden, zoals meteen al in de eerste regels van het openingsgedicht: ‘Dêr leit de brêge, in slomjend dier / dat op lûdsinjalen loom oereinkomt. / Wiidweidich gapjend, hâldt it / in fraksje fan ’e dei de siken yn.’ Ook mooi, in een gedicht over een kastanjeboom die van haar vruchten wordt beroofd: ‘Sy liet it mar gewurde, / har tûken glêd en grou as ’t bil fan / geile Maaike, dan wer de jûns / in dame yn rûzjend crêpe de chine; // ûnder de rokken leinen wy noch stil / en dimmen’.

Ja, bij Berga zijn het landschap en de natuur nogal meegaand. Dat maakt zijn gedichten soms wat te kabbelend. Dat iets meer frictie en confrontatie geen kwaad kan, mag blijken uit de vier al genoemde, thematisch afwijkende gedichten, die tot de betere van de bundel behoren.

    Niet eerder gepubliceerd, augustus 2001.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged , . Bookmark the permalink.