Eeltsje Hettinga, Dwingehôf

    Over: Eeltsje Hettinga, Dwingehôf, Steven Sterk, Utrecht 2000.

De dichtbundel als omzoomde vuilstort van wat voorbijgaat: zoals eerder in zijn debuut Akten fan winter (1998) probeert Eeltsje Hettinga ook in Dwingehôf, zijn tweede bundel, met grote inzet in taal te fixeren wat anders door de tijd uitgewist wordt als een foto in zonlicht. Taal ter bestrijding van vergetelheid en natuurlijk ook – het is maar een hanestap – van de dood: ‘sa’t ik te orearjen sit // dronken foar it faderlân wei, as wie / der noch in taal, in wurd dat my / it gat fan dea kaam ticht te praten’. Hettinga is een romantisch dichter, die aan taal metafysische waarde toekent.

In het talig conserveren van wat was, speelt de jeugdherinnering en dus de provincie een centrale rol: de zestiendelige cyclus ‘De lieten fan ferwinnen’ vormt het hart en wat mij betreft ook het hoogtepunt van de bundel. Hettinga draagt er het stomme getuigenis dat achtergebleven voorwerpen afleggen van zijn moeder over in beeldende en klankrijke gedichten. Maar daarnaast is Dwingehôf ook de niet-geposeerde neerslag van een kosmopolitisch blikveld van iemand die volgens diezelfde moeder ‘yn bare frjemdte fersyld’ is. De dichter is in permanente dialoog met de geschiedenis en cultuur van zijn tijd: de bundel bevat gedichten die reflecties zijn op (werk van) zowel Gysbert Japix, Douwe Tamminga en Gerrit Terpstra als Anna Akhmatova, Max Beckmann en Edward Hopper, en beweegt zich in geografische zin tussen Bolsward en Los Angeles.

Hettinga’s taal is rijk, overdadig, breedsprakig. Hij heeft overduidelijk lust aan taal, getuige woordspel als ‘hölderjende tuorren’, en buit de klankrijkdom en de idiomatische verscheidenheid van het Fries ten volle uit. Trucs om de taal pregnanter te maken, bestaan uit syntactische vervorming: veelvuldige achteropplaatsing van zinsobject en -subject en incidenteel ook weglating van lidwoorden. Tezamen met een overvloed aan korte bijzinnetjes en tegenwoordige deelwoorden verlenen ze Hettinga’s Fries een bijna ‘Romaans’ vernis, dat het nadrukkelijk tot ‘kunsttaal’ verheft, maar het vaak ook hortend maakt. Daarnaast slaat de gedragenheid soms door in een nodeloze plechtstatigheid: ‘Under it bonkehurde ljocht […] is ús it útsjoch tombe’, ‘sa’t de dea / as klaai […] dy de siele klonk’, ‘betink ik my myn steat fan tiid’.

Ook in andere opzichten is niet elk gedicht even geslaagd of passend binnen deze bundel. ‘Kuier’, waaronder tussen haakjes en in cursief ‘Westerbork’ toegevoegd is, zou zonder die toevoeging nietszeggend zijn geweest en krijgt nu door die toevoeging blikkerige accenten. In ‘Basilyk’ betoont de dichter zich een kwijlende sextoerist die enkel in ridicule clichés – ‘it molkene wyt // t-shirt: machtich ferwulfte fan frucht’ – aan de lezer kan overbrengen wat zijn lust opwekt. En de moeizaam geversificeerde pastiche op ‘Wobbelke’ van Gysbert Japix, met regels als ‘O, lit dan fan sjarren dyn teltsjes del’ en het tot ‘Heabultsje’ verbasterde ‘Heabeltsje’, maakt weer eens duidelijk dat Friese auteurs binnen een humoristisch of cabarettesk genre zelden slagen.

Koel-analytische strengheid is in Dwingehôf afwezig, in de gedichten zelf evenzeer als in de bundel als geheel. De typografische vormgeving accentueert de onevenwichtige opbouw ervan. Vormen de zestien ‘Lieten fan ferwinnen’, ingeklemd tussen twee getinte, buiten de paginering gehouden bladen, een afdeling van dezelfde orde als de zes laatste gedichten, waaraan een binnen de paginering opgenomen, wit tussentitelblad met het opschrift ‘Finsters’ voorafgaat? En hebben de negen gedichten voorafgaand aan ‘De lieten fan ferwinnen’ en de acht gedichten tussen ‘De lieten fan ferwinnen’ en ‘Finsters’ eveneens onderlinge samenhang of niet? Vormen ‘Tij’ en ‘See’ op p. 36–37 misschien een tweeluik, net als de beide titelloze, romeins genummerde gedichten op p. 14–15?

Vragen die echter van ondergeschikt belang zijn bij een bundel die het niet van ordenende logica moet hebben maar van de intensiteit van taal, ter bezwering van de vergetelheid en het verzinken. In Dwingehôf ontspoort dat incidenteel in quasi-filosofie, maar vaker verleent het de gedichten een zekere lucide geheimzinnigheid. Een paradoxale kwaliteit bewerkstelligd in taal. Meer nog dan een vuilstort is Dwingehôf daardoor een composthoop: er bloeien mooie bloemen op.

    Niet eerder gepubliceerd, augustus 2001.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged , , , , , , . Bookmark the permalink.