Tsjêbbe Hettinga, Fan oer see en fierder

    Over: Tsjêbbe Hettinga, Fan oer see en fierder, Utjouwerij Montaigne, Gasselternijveenschemond 2000.

Al het goede komt in triplo. De jongste bundel van Tsjêbbe Hettinga, waarmee hij de Friese literatuur opnieuw verrijkt, appelleert aan drie soorten van ontvankelijkheid bij de lezer. Fan oer see en fierder biedt – nummer één – meeslepende epiek waarbinnen mythe wortelt in het aardse leven zelf, als druivenranken in een wijnberg. De negen uitgesponnen gedichten in de bundel vormen tezamen een klein epos, waarin een dolende zwalker tijdens een verblijf op een Grieks eiland even filmische als visionaire verhalen vertelt over liefde, lotsbestemming en levensaanvaarding, plaatsgrijpend in zijn eigen leven en in de levens van andere eilandbewoners. De plaats van handeling is een oord van bitterzoete gelukzaligheid, gestoffeerd met ceders, cipressen en citroenbomen, omspoeld door zee en overgoten met mediterraan zonlicht of overwelfd door een nachthemel waarin de maan een ‘lantearne sûnder peal’ is. Aan het slot van de bundel verdwijnt dit land waar de citroenen bloeien – niemand is een blijvend Elysium vergund – echter weer achter de einder. Met alle zintuiglijke concreetheid is de bundel tevens het verhaal van een zoek- en ontdekkingstocht van de ziel: ‘Yn dat sykjen sûnder finen koe de siel him / Wer as in eilân troch eilannen omspield’. Welbeschouwd is Fan oer see en fierder een kleine Odysseia.

Die indruk wordt versterkt door – nummer twee – een intertekstualiteit die weliswaar nergens gestalte krijgt in letterlijke citaten maar die de lezer niettemin een wereld inzuigt waarin Griekse goden en (tragische) helden als Dionysos, Medusa en Icarus even aanwezig zijn als de schapenhoeder Nionio en de visser Petros. Het is vooral Homerus waaraan Hettinga refereert: zijn versregels zijn even veelsyllabig; zijn syntaxis is homerisch in het langademige, meanderende zinsverloop, met een soms lang uitgestelde zinskern; en hij duikt uit het Friese idioom met graagte pareltjes op (‘bekstallich’, ‘hurdhûdich’, ‘dûknekkich’) die doen denken aan homerische nieuwvormingen. Daarnaast ontbreken allusies op de bijbel evenmin. De literair-bewuste toon van de bundel laat er echo’s van andere werken in doorklinken; voor de hand ligt het noemen van Derek Walcotts Omeros, dat eerder door Hettinga in het Fries vertaald werd. Nergens echter uit zijn cultuurhistorische besef zich in slaafse imitatie of gekunsteldheid; alle allusies zijn met een ogenschijnlijk virtuoos gemak zodanig geïntegreerd dat de authenticiteit van de bundel er des te groter van wordt.

Hetgeen mij brengt – nummer drie – op wat de bundel het meest zijn eigen karakter verleent: het grote arsenaal aan stijlmiddelen waarmee Hettinga de lezer scheep laat gaan en meevoert naar zijn eiland van hypersensitieve zinsbegoocheling. Alle registers waarover het Fries beschikt, trekt hij open om tot een uiterst verzadigde klankkleur en een grote semantische expressie te komen, waarbij woorden over elkaar heen buitelen en dithyrambische zinnen nog net niet derailleren. Hier is de invloed voelbaar van een andere door Hettinga vertaalde dichter, de woorddronken Dylan Thomas. Prozaïsch ingesteld publiek wordt wellicht zeeziek van alle lyrische deining, maar dat veel anderen het als een aangename sensatie ondergaan, kan de triomfen verklaren die het podiumbeest Tsjêbbe Hettinga – het Fries-literaire exportproduct bij uitstek – als een hedendaagse Bernlef viert op provinciale, randstedelijke en buitenlandse bühnen. Zeker in minimalistische oortjes wankelt Hettinga met literair-incorrecte bravoure op de rand van de bombast; toch bewaart hij immer zijn eigen, onnavolgbare balans.

Dat de hooggestemde retoriek niet berust op een ingesleten procédé, blijkt onder meer uit de effectieve registerwisseling in de cursief gedrukte monoloog in ‘De rots’. Ook noemenswaard is de wijze waarop de vorm de inhoud versterkt. Per gedicht tellen de strofen telkens evenveel regels maar eindrijm kent de bundel niet; dat zou bovenop al het staf-, klinker- en binnenrijm dat wel aanwezig is ook echt te veel van het goede zijn geworden. Hettinga kanaliseert zijn uitbundige woordenvloed op een iets andere manier. Hoewel metrum afwezig is, tellen de regels wel vaste aantallen lettergrepen: hetzij een gedicht lang onveranderlijk 15 of 14, hetzij afwisselend 10 en 11, 12 en 11, 13 en 14 of 15 en 14, waarbij de regels met een lettergreep minder telkens inspringen; ‘Dûnsje dy de dolken yn myn hûd’ ten slotte heeft in elke strofe 7+13+12+13+12+5 lettergrepen. Een strak stramien dat evenwel niet knelt of tot cadans leidt, maar juist aan de woordenstroom des te meer stuwing geeft.

    Niet eerder gepubliceerd, augustus 2001.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged , , , , . Bookmark the permalink.