Jelle Kaspersma, Ave Marije

    Over: Jelle Kaspersma, Ave Marije. Madonna fan Starum, Koperative Utjowerij, Boalsert, 2000.

Jelle Kaspersma, Ave MarijeAve Marije opent met herinneringen aan vervlogen vrijerijen met, jawel, Marije. Het verzande havenstadje Stavoren zorgt niet alleen voor het decor en de nodige couleur locale, maar levert ook de ingrediënten voor een kleine persoonlijke mythologie. Centraal daarin staat het Vrouwtje van Stavoren, wier standbeeld uitkijkt over de Waddenzee; een anonieme berijmde (Nederlandstalige) versie van haar legende staat slordig overgetikt op het achterplat van de bundel. In Jelle Kaspersma’s beleving is dit hoogmoedige weeuwtje evenzeer ‘patroanesse [sic] fan fryslân’, onder wier vaandel ooit de Slag bij Starum gewonnen werd, als ‘libbensgrutte flinter havenhoer’. Haar tegenvoeter is ‘frouwe marije fan de streamende molke’, voor wier beeld in de plaatselijke kerk kaarsjes worden gebrand: ‘kearsfet hie ik motsje wollen op har rynske boarsten’. Beiden symboliseren het Staverse Mariken van Nimwegen, en ongetwijfeld ook alle andere ‘madonna’s der’t ik ea tsjinoanrûn’. De vrouw als hoer én als madonna, als veile dagvlinder én als lacterende moeder-maagd: voorbije generaties schijnen het een erg intrigerend motief gevonden te hebben.

Afijn, aan de zomer met Marije komt een eind, er breekt een herfst aan met een ‘deunske sêftbúk’ die weinig bevrediging schenkt, dan volgt ‘in wanheapswinter [sic] fan oer en tefolle wêzen’ en uiteindelijk komt de ik-figuur ‘trochweake [sic] fan bier’ aan zijn gerief bij hoeren te Amsterdam die ‘wiidskonkich wachtsje op it betelle hynderkeriden’. In het voorjaar verlaat hij met de prostituee Helena in haar rode sportwagen ‘it grutte soo’ – hier zal het Mokumse Sodom bedoeld zijn – om gezamenlijk ‘súdwesthoeks venusheuvel’ te beklimmen, maar een bezoek aan het Jopie Huisman Museum te Workum leidt merkwaardigerwijs tot ‘woaste leafde’ die uitdraait op ‘hûnhaaien [sic] / en slimmer noch en slaan’ met als gevolg dat Helena de ik-figuur een plek in haar rijdende ‘glânzgjend reade ôfwurkplak’ ontzegt. De laatste rest weinig meer dan liften en de afkeuring van het thuisfront: ‘jins dwaan en litten giet oer de tonge / dichtsjen en omheechsjen binne út ’e graasje’. Na een moment van bezinning in – ik vat even samen – het schaamhaar van Gaasterland weet hij echter wat hem te doen staat: ‘de pinne festhâlde / acte de présance [sic] jaan op papier’. Vervolgens heeft hij een gedicht lang intensive care nodig, maar ‘it is myn oere noch net / foar ûnbepaalde tiid / mei ik dit liif oanhâlde / pompjend [sic] komt der poëzij yn byld / myn hert giet oan op ’e monitor / dit is de wiere kennisse des harten’.

Het in grote lijnen chronologische logboek van een gemankeerd liefdesleven dat Ave Marije in wezen is, bestaat uit 41 titelloze, vrije verzen van wisselende lengte (4 tot 26 regels), zonder hoofdletters en interpunctie, en met veel taal-, spel- en tikfouten. Het ‘verhaal’ wordt op z’n elf-en-dertigst verteld: de overvloed aan enkel plaatselijk bekende details en aan obligate natuurbeelden haalt de vaart eruit. Er is onvoldoende wat het gemis van een spanningsboog compenseert. Vermeldenswaardige formele aspecten ontbreken geheel en de zinsbouw is armoedig: Kaspersma (1948) betoont zich ook hierin opnieuw een jaren-zeventig-dichter. In zijn woordkeus is hij gelukkig veelzijdiger en een enkele metafoor vind ik niet onaardig – ‘ljochten om dy kninen fan keardels te fangen’ – maar daar staan zeker waar de seksuele strapatsen aan bod komen ontspoorde vergelijkingen tegenover als ‘de fisk wurdt fongen / yn har pearse fûke / de homme molken’. Er is wat mythologische en bijbelse name-dropping – Amor, Bacchus, Charon, Delila, Rachab – maar daar blijft het dan ook bij, zoals Kaspersma ook aan psychologie niets meer doet dan ergens de term ‘freudiaansk’ te laten vallen.

Blijft over een nogal particulier relaas met ‘rankskonkige kontsjedraaisters / stilettohakkige sjarretelledraagsters’ en ‘spierde skonken sierd mei nylons / koarte kokerôk [sic] en lear it jaske’, waarin de ik-figuur als een puberale Prikkebeen met een schepnetje achter de vlinders aanholt. Die flirtend rondfladderende manninnetjes willen in zijn beleving maar geen mensen worden, en hijzelf maar niet volwassen. Gelukkig mag dat allemaal binnen het domein van de literatuur en hoeft het goede poëzie niet per se in de weg te staan. Hier doet het dat dus wel. Spijtiger nog vind ik dat Kaspersma, volgens Piter Yedema in Trotwaer 2001–2, voor de afbeelding op het voorplat van deze overigens lelijk vormgegeven bundel een foto van zijn overleden eerste echtgenote genomen heeft. Was zij Marije? Ik wil dat helemaal niet weten! Als een auteur zelf zijn literaire identiteit laat samenvallen met wie hij is voor de burgerlijke stand, wordt het voor de goedwillende lezer toch lastig een als literair werk gepresenteerde tekst ook enkel op literaire gronden te waarderen.

    Niet eerder gepubliceerd, augustus 2001.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged , . Bookmark the permalink.