Harmen Wind, Op sân

    Over: Harmen Wind, Op sân. Gedichten, Utjouwerij Fryslân, Ljouwert 2000.

Een huis gebouwd op zand is niet bestand tegen harde regen en wind: bij noodweer stort het onherroepelijk in. Dwaas is wie zijn huis op zand bouwt, aldus Mattheus 7:27. Door een deel van dat bijbelvers als motto op te nemen in zijn nieuwe dichtbundel Op sân, geeft Harmen Wind een verklaring van de titel en een samenvatting van een hoofdthema in de vorm van een nieuwtestamentische gelijkenis. Even schriftuurlijk is de indeling van de bundel in zeven afdelingen van elk zeven gedichten.

Onbijbels is echter het hoofdthema zelf: het bestaan kent geen doel en biedt geen zekerheden anders dan dat het wisselvallig en vooral eindig is. De titels van de afdelingen zijn veelzeggend: de laatste vier luiden ‘De lêst’, ‘De yllúzje’, ‘It ferfal’ en ‘It weiwurden’. Dat besef van uitzichtloze vergankelijkheid wordt in Op sân doorgaans uitgedragen met ontgoocheling en berusting. De erin geformuleerde bestaansvragen hebben enkel nog retorisch gehalte: ‘Is dit de sin, te wurden dy’t wy binne?’, ‘Wa sil it riedsel fan it libben tsjutte?’. Wanneer de dichter zich toch aan een antwoord waagt, voert desillusie de boventoon: ‘Us sinnen, dat is wat / wy binne. Wy rûke alle / dagen wer ús oeren yn ’e / wyn, priuwe fergean yn / sûne mielen, […] stjitte yn ús frijen / op de muorren fan ús bestean’. Elk verderreikend perspectief is afwezig, ook al kan men onderling afspreken een illusie in stand te houden: ‘Lit ús wach foarbygean / leafste, lit ús elkoar in / libben lang mei fjoer en / faasje útsicht ferbyldzje’.

Het laatste citaat suggereert dat liefde soelaas biedt, maar de rest van de bundel weerspreekt dat. Liefde staat in Op sân in het teken van sleetsheid, verwijdering en afstand: ‘In pear ien? Och wy beide witte better, / allinne skieding makket leafde wier’. Slechts in het gedicht is die afstand nog overbrugbaar en identificatie nog mogelijk: ‘falst mei my gear yn wat ik sis, / salang as it dyn wierheid is’, en: ‘’t Ofskied kaam. Allinne myn gedichten / ha my sûnttiid oan dyn wêzen bûn’. Het gedicht is ook de enige plaats waarbinnen de dichter nog bestaanszekerheid geniet; een bestaanszekerheid die in datzelfde gedicht overgedragen wordt aan de lezer, zoals treffend verwoord wordt in het gedicht ‘L.S.’

De wijze waarop deze gedichten gestalte krijgen, sluit naadloos aan op de toon van bespiegeling en berusting. Harmen Wind schrijft vloeiend voorbijglijdende gedichten in verzorgd Fries en vrij van effectbejag. Sommige hebben een weinig nadrukkelijke sonnetvorm met bijpassend rijmschema, andere ontlenen hun structuur aan nog terloopser formele aspecten; zo bestaat ‘Foltôging’ uit strofen van drie regels met slechts één eindrijm in elke derde regel. Enkele gedichten, waaronder ‘Leafdesliet’, hebben door hun regelmatige strofebouw en hun repeterende regels en refreinen het karakter van songteksten. Het ontbreken van metrum, de talrijke enjambementen en kleine talige particularismen – zoals het iets verdraaien van een staande uitdrukking – vergroten de intieme sfeer die past bij zacht uitgesproken mijmeringen van een gedesillusioneerde.

Soms echter lijken de grote vorm- en taalbeheersing waarover Wind beschikt te blijven steken in routine, alsof hij al te lang hetzelfde soort poëzie over dezelfde thematiek geschreven heeft: gedichten als ‘Winsk’, ‘Underweis’ en ‘Oarsaak’ zijn mat en flets. Op zijn best is Wind als hij niet de wisselvalligheid van het bestaan maar de zekerheid van de dood centraal stelt. Tot de gedichten in Op sân waarin hij zijn belangwekkende dichterschap opnieuw bevestigt, behoort het kinderlijk eenvoudige en tegelijkertijd onthutsende aftelversje ‘Hark’:

    Pas as dy trijetonner om ’e hoeke is
    hearst it kariljon;
    pas as it kariljon ferklonken is
    hearst it beurtskip;
    pas as it beurtskip foarby is
    hearst de klyster;
    pas as de klyster swijt
    hearst de wyn;
    pas as de wyn belunet
    hearst dyn sike;
    pas as dyn sike stiket
    hearst de dea.
    Niet eerder gepubliceerd, augustus 2001.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged . Bookmark the permalink.