Tsead Bruinja, De man dy’t rinne moat

    Over: Tsead Bruinja, De man dy’t rinne moat, Utjouwerij Bornmeer, Ljouwert 2001.

Vergeleken met Tsead Bruinja’s eerste Friestalige dichtbundel, het in 2000 verschenen De wizers yn it read, stelt de opvolger teleur. Analoog aan de figuur uit de titel van De man dy’t rinne moat lijkt Bruinja zich te ontpoppen als een dwangmatige dichter, die uit publicatiedrift zichzelf niet voldoende tijd gunt om te schaven en te schiften. Mogelijk is het feit dat hij vaak op het podium staat daar debet aan, maar oral poetry die het op de planken misschien wel doet, is daarmee nog niet per se geschikt voor het papier.

De man dy’t rinne moat telt 35 gedichten in vier afdelingen. Daarvan bestaat de eerste, ‘Brêgeman’, uit één lange ‘brief’ aan een stervende of overleden vader met herinneringen aan een gezamenlijke schaatstocht, lang geleden, naar diens geboortegrond. Deze poging ‘om wat / ik noch fan dy wit foar de helsdoarren // wei te skuorren’ komt echter niet tot een essentie die het gedicht boven het anekdotische uittilt. De derde afdeling, ‘Cold turkey fan in reade dream’, telt zeven titelloze gedichten, die getuige enkele herhaalde zinsneden met elkaar zullen samenhangen, maar de koortsige dan wel gedrogeerde hersenspinsels in deze afdeling ijlen zoveel kanten op dat een griepvrije en niet-gebruikende lezer er maar zelden chocola van maken kan, en zeker geen warme.

De tweede en vierde afdeling zijn beide titelloos en tellen tezamen 26 al dan niet getitelde gedichten en een korte prozatekst zonder veel thematische samenhang. Ook hier stapelen de metaforen zich af en toe op tot een schots-en-scheve blokkentoren waarin weinig cohesiegevende specie verwerkt is. Zo begint ‘Net ien sjocht him oan’ met de aan elke Groninger bekende invalide duivenvoerder op de Grote Markt, maar allengs gaat Bruinja met diens rolstoel aan de zwier op een moeilijk bij te benen wijze. In ‘Mei Schwitters troch it Stedelik’ zijn bepaalde passages met enige kennis van Kurt Schwitters’ werk wel te plaatsen als allusies daarop, maar daarmee vormen ze nog geen organisch onderdeel van het gedicht. En ‘Rûchwei’ heeft zo’n rommelig tekstverloop dat de strekking gek genoeg helderder wordt wanneer men de woordjes ‘net’ yn de tweede en ‘do’ in de zevende regel simpelweg schrapt.

Niettemin zijn enkele kwaliteiten van De wizers yn it read ook in De man dy’t rinne moat nog steeds aanwezig: de gejaagde geladenheid die van de aaneenrijging van zinnen en beelden uitgaat, de bezwerende functie die aan taal wordt toegekend, de ondanks alles authentieke toon. Voorts moet gezegd dat Bruinja soms erg beeldend en trefzeker kan beschrijven. Een mooi voorbeeld is te vinden in een gedicht over een afgeleefde grootmoeder: zij ‘leit yn âld ljocht dat stjerren / jierren lyn begûn binne nei har út te stekken / lit harsels fersûpe yn seeën fan ferhalen dêr’t hy de stim / de stien om har nekke har oranje driuwende rêding yn is’. Maar als geheel weet deze bundel helaas niet te overtuigen.

    Niet eerder gepubliceerd, april 2002.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged , . Bookmark the permalink.