Jabik Veenbaas, Metropolis

    Over: Jabik Veenbaas, Metropolis, Utjouwerij Bornmeer, Ljouwert 2001.

Metropolis is de eerste dichtbundel die Jabik Veenbaas het licht doet zien, maar van een debuut is amper sprake. In tijdschriften publiceert Veenbaas al Friese gedichten vanaf midden jaren tachtig. Daarnaast heeft hij een respectabele staat van dienst als vertaler, verhalen- en toneelschrijver, criticus en essayist. Vooral vanwege de laatste twee hoedanigheden hoeft het niet te verbazen dat Metropolis, met zijn aan modernisme refererende titel, getuigt van een hoog literair bewustzijn. Gelukkig laat Veenbaas in Metropolis meer klinken dan het rationele, studieuze geluid dat we kennen uit zijn recensies en artikelen: er blijkt in hem ook een sensitief dichter schuil te gaan.

De eerste afdeling, ‘It hûs’, telt zeven gedichten. Daarin worden een huis, de zee, de sneeuw, het daglicht en dergelijke verpersoonlijkt en krijgen ze bewustzijn, gevoelens en geschiedenis toegedicht. Ondanks de perspectiefverschuiving door het subjectiveren van onbezielde dingen blijft het onderwerp telkens toch de condition humaine: de personificaties zijn getuigen van, en deels ook actoren in, het leven van ons mensenkinderen. Het is een literair procédé dat vooral uit sprookjes en stoffige jeugdboeken bekend is en dat Veenbaas bewust lijkt te parodiëren. Her en der is de toon tenminste een beetje kinderlijk en ietwat melodramatisch. Dat geldt zeker voor het larmoyante ‘Sniegedicht’ – het kan niet anders of de kleine Jabik heeft veel W.G. van de Hulst gelezen – en voor het zowel inhoudelijk als qua toonzetting curieuze ‘Libbensrin fan it rivierlyfke’, waarin de weg die een rivier aflegt van berg naar zee in overdrachtelijke zin samenvalt met de menselijke levensloop.

Het hart van de bundel bestaat uit het 112 regels tellende gedicht ‘Metropolis’, dat in z’n eentje een eigen, gelijknamige afdeling uitmaakt. De thematiek van ‘It hûs’ wordt erin voortgezet en uitgebreid met gebruikmaking van meer technische middelen. Hier is het de metropool, die – in de traditie van Fritz Lang – als een levend organisme een caleidoscopisch beeld van zichzelf schetst. De Großstadt spreekt daarbij met twee stemmen. De stem waarmee zij zich presenteert als soevereine heerseres, wordt gaandeweg afgewisseld en afgelost door een (cursief en inspringend afgedrukte) tegenstem, waarin zij zich afhankelijk weet van de aanwezigheid van haar bewoners, die immers haar ziel vormen. Behalve caleidoscopisch is de sfeer van het gedicht ook apocalyptisch te noemen.

De derde en laatste afdeling, ‘Nachttrein’, telt elf gedichten en heeft een gevarieerder thematiek. Typerend is de titel van het gedicht ‘Ik dreamde frjemd’: voor een belangrijk deel gaat het in deze afdeling om droombeelden met surreële trekjes, die met Freud in de hand wellicht beter te duiden zijn dan zonder, maar die de ‘ik’ hoe dan ook verontrust en bang achterlaten. Veenbaas slaagt erin die beklemming op de lezer over te dragen. Thematisch afwijkende gedichten als ‘Sa sil it bliuwe’ en ‘Midwinterklacht’ maken de samenhang binnen deze afdeling losser, maar zelfs het licht kolderieke slotgedicht ‘Darwinistyske weemoed’ laat niet na te wijzen op de beangstigende perspectiefloosheid van de menselijke existentie.

Al met al is de thematiek van Metropolis origineel en doordacht. De verwoording ervan vertoont rijk idioom (‘it skolperjen’, ‘kettermintsjend’, ‘it smûgende stjitten’, ‘ik dodde wer wei’, ‘myn gapske hert’), gedetailleerder en grootschaliger stijlmiddelen (effectieve herhalingen, perspectiefwisseling, temporele verschuivingen) en treffende metaforiek (‘de wurden sprongen as jonge dieren / bliid by de dingen op’, ‘gystene rivieren meitsje ik mak as opskearde poedels’, ‘ik miende dat ik yn in messtek ferdwine soe’). Maar soms is de vloed aan beelden te groot. Met name in het titelgedicht trappen ze elkaar amechtig op de hielen. Meer vormvastheid had dat wellicht tegen kunnen gaan, maar de meeste gedichten stellen het zonder regelmatige strofebouw en regellengte, en zonder metrum en eindrijm, terwijl ook minder conventionele structurerende elementen schaars zijn. De bundel bevat in dat opzicht wel erg veel inslag bij betrekkelijk weinig schering. Opvallend, maar niet toevallig, is dat de qua vorm meest traditionele gedichten, ‘Nachttrein’ en ‘Ik dreamde frjemd’, tot de beste behoren.

De genoemde weeffout laat desondanks onverlet dat Metropolis – binnen de Friese letterkunde tot op een zekere hoogte herinnerend aan werk van Sjoerd Spanninga – een plezierig ongewone en ook een (in positieve betekenis) ongemakkelijke bundel is, geschreven met literaire kennis en kunde, en tegelijkertijd met dichterlijke sensibiliteit.

    Niet eerder gepubliceerd, april 2002.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged , , , . Bookmark the permalink.