Baukje Wytsma, Kom mei in koer

    Over: Baukje Wytsma, Kom mei in koer, Friese Pers Boekerij, Leeuwarden/Ljouwert 2001.

Baukje Wytsma, die in 1980 debuteerde met Noch ien slach om ’e buorren, levert met Kom mei in koer haar zevende dichtbundel af. Sinds haar tweede, in 1984 verschenen bundel It blau fan de hortinsje, waaruit voor het eerst een heel eigen geluid opklonk, riep haar dichterschap sterk verdeelde reacties op. Liefhebbers prezen de wijze waarop Wytsma in melodieuze, harmonische verzen haar ervaringen en gevoelens plaatste binnen een groter zingevend verband, binnen de ‘heelheid’ van het bestaan. Maar anderen stoorden zich aan haar esoterische, escapistische holisme en de naar kitsch neigende pseudo-diepzinnigheid waarmee dat verwoord werd. De controverse spitste zich allengs toe op de vraag of de aanwezigheid van bepaalde levensbeschouwelijke tendensen in een dichtbundel afbreuk kan doen aan de literaire kwaliteit ervan. Daarnaast werd geopperd dat Wytsma als dichter van specifiek ‘vrouwelijke’ poëzie wellicht slachtoffer was van de omstandigheid dat haar criticasters allen mannen waren.

‘Gjin lûd komt my mear oer de lippen’, schreef Wytsma in het slotgedicht van haar zesde bundel, Thúslûd uit 1997, die ze in een interview als afronding zei te beschouwen. De desondanks verschenen zevende bundel stemt haar fans vast weer tevreden en komt de sceptici tegemoet. Terwijl onderwerpen en stijl dezelfde zijn gebleven, is de invalshoek grotendeels verschoven van de geruststellende notie ‘aangesloten te zijn op een positieve stroom’ (zoals ze het zelf eens noemde) naar het troosteloze besef te moeten leven met gebroken illusies, verloren liefde en onvervuld verlangen, waarover vervolgens merkbaar minder wollig bericht wordt dan voorheen. Dat laatste aspect thematiseert Wytsma zelf in de eerste twee van de zes afdelingen waarin de 43 gedichten in deze bundel zijn ondergebracht. In de eerste afdeling leidt het besef dat de ondeelbaarheid van kinder- en jeugdjaren voor altijd buiten bereik is tot ontmanteld taalgebruik: ‘Ek wurden wurde wifferoan, / ik sprek jim oan yn tinner taal’. Anderzijds kan blijkens de tweede afdeling het weinige dat resteert na het verlies van onbevangen opmerkingsgave alleen in taal nog worden vastgehouden: ‘Ik sjoch al lang net mear mei tsien pear eagen, / meitsje taastber yn taal wat my noch oerbliuwt’.

De derde afdeling, waarin veelbetekenend gerefereerd wordt aan de peppels van Leopold, is gehuld in een deken van grauwheid en kilte vanwege de verloren (ge)liefde. Daarentegen heerst in de vierde afdeling een warme zomer, waarin de waargenomen medemens door zowel hitte als seksuele drift bevangen wordt. Weer veel subjectiverender is in de vijfde afdeling de dreigende aanwezigheid, tegen een herfstig decor, van ouderdom en doodsbesef. De zesde en laatste afdeling telt slechts twee gedichten. Het thema van het eerste duikt ook elders in de bundel op: de hunkering naar het volle, lichte leven in verre zuidelijke streken, in de benauwende wetenschap nooit echt los te zullen komen van de noordelijke klei. Het slotgedicht, net zo getiteld als de afdeling en de bundel waar het deel van uitmaakt, spoort aan het fruit te plukken zolang het nog aan de bomen hangt en ervan te eten voordat het verrot. Het gedicht rondt een bundel af waarin het onomkeerbare verlies van ‘heelheid’, de wanhopig makende onaangeraaktheid van het hier en nu en de deprimerende gang door de (levens)seizoenen leitmotieven zijn.

Daarbij hebben onbecommentarieerde observaties en vragen-zonder-antwoord – ‘Wêrom slaan ik net / op ’e tromme oant de ruten rinkelje, draaf ik net blynseach / de dyk del en sjong my de longen út it liif?’ – grotendeels de plaats ingenomen van het eerdere Oibibio-geneuzel en dat beschouw ik als pure winst. De Wytsma die ooit sommige recensenten zo sjagrijnig maakte, is echter niet volledig opgelost: ‘Dit is sa’n amerij dat ’k my ûnstjerlik waan, / de loft is fan ivichheid en tiid driuwt oan / op bleekblau seil’ en ‘Op it ritme fan dat machtige sykheljen / waarden my de eagen iepene, / ’k seach tagelyk begjin en ein’. Een zwak punt blijft voorts haar metaforiek. Doorgaans is die flets en clichématig: ‘op myn netflues baarnd’, ‘yn de marzje fan ’t bestean’, ‘in blaudruk foar it libben’. Soms is die inconsistent: ‘Boppe de greide stige dichtrigels út de dize op, / balansearje op de râne fan ’t ravyn’. Of, als gevolg van rijmdwang, krom: ‘de earste hoanne / kraait syn keningdom’. Of al te buitenissig: ‘Smûgjend as hynstelongen klaait de wyn / de beammen út’.

Geslaagder is Wytsma’s keuze uit de ter beschikking staande voorraad van vormtechnische middelen. Trucs die zij maar matig beheerst – regelmatige strofebouw, vast metrum, eindrijm – worden in deze bundel zelden toegepast. Liever kiest zij voor witregels waar de inhoud erom vraagt, voor een natuurlijk ademend ritme en voor ‘interne’ klanksamenhang: alliteratie, assonantie en binnenrijm. De wijze waarop dat gebeurt, is weliswaar weinig spanningsvol of avontuurlijk, maar wel functioneel en kenmerkend voor Wytsma’s eigen stem in het koor van hedendaagse Friestalige dichters. Iets dergelijks gaat op voor de bundel als geheel: naar inhoud noch naar vorm is Kom mei in koer vernieuwend of verrassend te noemen, maar de bundel getuigt ontegenzeggelijk van poëtisch gevoel, kundigheid en authenticiteit.

    Niet eerder gepubliceerd, augustus 2002.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged . Bookmark the permalink.