Tsead Bruinja, Gegrommel fan satyn

    Over: Tsead Bruinja, Gegrommel fan satyn, Utjouwerij Bornmeer, Ljouwert 2003.

Tsead Bruinja, Gegrommel fan satynGegrommel fan satyn is Tsead Bruinja’s derde Friestalige dichtbundel. In 2000 verscheen De wizers yn it read, een bundel gedrenkt in persoonlijk drama, waarin dissociatie en desintegratie voelbaar werden gemaakt in een schokkerig, ontregel(en)d en als zodanig vaak effectief taalgebruik. In De man dy’t rinne moat uit 2001 was die effectiviteit echter grotendeels verdrongen door een al te particuliere, associatieve schrijftrant met een niet-doelmatige schaarste aan inhoudelijke en formele samenhang: de lezer werd niet zozeer op het verkeerde been als wel op de cakewalk gezet. Het onlangs verschenen Gegrommel fan satyn is in mijn ogen helaas geen herneming van het aanvankelijke niveau, maar een voortzetting van de neergaande lijn.

Tenzij ik met verkeerde ogen lees. In de vierde editie van het internettijdschrift Farsk verwijt Abe de Vries de recensenten van Bruinja’s werk dat zij het tot nog toe naar verkeerde maatstaven beoordeeld hebben. Zich baserend op Gegrommel betoogt De Vries dat Bruinja’s werk geschreven is vanuit een postmodernistisch paradigma. In dat geval mag het er aanspraak op maken langs een andere literaire meetlat gelegd te worden dan de gangbare. Waar het niet voldoet aan geijkte poëtische normen en waarden doemt dan de vraag op in hoeverre het wel effectief de postmodernistische opvatting demonstreert dat taal niet bij machte is een af verhaal te reproduceren of te creëren, aangezien wij in een gefragmenteerde werkelijkheid leven.

Gegrommel fan satyn bevat inderdaad kenmerken die etikettering als postmodern toelaten – een impulsieve woordenaanwas, metaforische incoherentie, abrupte registersprongen, een wanordelijke tekstgeleding – en met wat goede wil valt er desgewenst een postmodernistische poëtica in aanzet te peuren uit de ruim zes bladzijden lange tweespraak ‘wat docht er?’, waarin een dichter verveeld wordt met vragen naar de bekende weg en dan onder meer tot antwoord geeft: ‘myn klankkast / is in hynstestâl / ik wit net wat derút / draven komt / lit har tafaltreffers / dy in warskôging wêze’. Maar tegelijkertijd vertelt Bruinja ook in Gegrommel nog steeds wel degelijk een niet weinig omvattend verhaal. Abe de Vries gaf al aan dat in deze vermeende postmodernist tevens een oude romanticus huist.

Deze keer gaat die met name gebukt onder een verbroken liefdesrelatie. Het merendeel van de 38 gedichten in Gegrommel raakt op een of andere wijze aan dit grondthema. Van de 37 in de inhoudsopgave vermelde gedichten zijn er 36 ondergebracht in zeven getitelde afdelingen, qua omvang variërend van twee tot tien gedichten. Die afdelingen lijken losjes, om niet te zeggen willekeurig te zijn samengesteld; in elk ervan keert het grondthema niettemin terug. Het 37ste gedicht, ‘Lethe’, gaat aan deze zeven afdelingen vooraf; een 38ste, in de inhoudopgave onvermeld, luidt gecursiveerd de vierde afdeling in. De bundel als geheel opent met een aan Toon Tellegen ontleend citaat, dat net als het inleidende gedicht ‘Lethe’ het afscheid en het daaropvolgende vergeten tot onderwerp heeft.

Anders dan de voorgaande alinea suggereert, is er van samenhang en uitwerking echter nauwelijks sprake. Gedachten en gevoelens kristalliseren zich niet uit en hoe Bruinja er ook op los associeert, er komt geen nieuw soort luciditeit te liggen over de thematiek van zijn gedichten. Zo eindigt het eerste gedicht in de afdeling ‘it ljochtknopke by in oar yn ’e keet is it ljochtknopke’ – gooi die titel maar in m’n pet – met de strofe ‘krûm lûkt de kroan / iepen spat de krûk / tûmen driuwe frij / op sterk wetter / oer troch jierren skjirre / glêd fyneks laminaat’ en dan begrijp ik weliswaar iets beter wat de uitgever op zijn website bedoeld kan hebben met de aanprijzing dat in Gegrommel ‘romantische gedichten over een voorbije liefde afgewisseld [worden] met grommelende absurde verzen over de staat van de mens in de huidige tijd, tussen vinex locaties, internet en explosies’, maar het gedicht zelf gaat over niks. Het brengt althans niets over. Bruinja blijft steken in improvisatie en instant poetry zonder kritische selectie achteraf. Er wordt in Gegrommel weliswaar geprobeerd een al dan niet versplinterd verhaal te vertellen, maar de taalhantering schiet zwaar te kort.

Nee, werpt de postmodernist dan tegen, niet de hantering schiet te kort maar de taal zelf, en volgens De Vries zou de wijze waarop Bruinja er in slaagt dat te demonstreren uitgangspunt moeten zijn bij de beoordeling van zijn werk – ondanks de paradox dat de ontoereikendheid van een medium dan aan ons kenbaar moet worden gemaakt door middel van datzelfde medium. Maar ook vanuit dat gezichtspunt stelt Gegrommel fan satyn helaas teleur: het lukt Bruinja niet die paradox te omzeilen of te overwinnen. Over repertoire en registers beschikt hij in ruime mate, maar niet over voldoende talige sensibiliteit om aan de lezer over te brengen dat taal niet slechts een mislukking is maar een fascinerende mislukking.

Is op het omslag een kiespijnlijder afgebeeld die een nare tandheelkundige behandeling ondergaat? Of laat hier een pomo-dichter zich moedwillig de tong uitrukken? Akelig! Jammer ook, en onnodig.

    Niet eerder gepubliceerd, april 2003.
This entry was posted in 2000–2007 and tagged , , . Bookmark the permalink.