E.E. Cummings, ‘mOanne Oer dOarpen mOanne’

 
mOanne Oer dOarpen mOanne
lispel
leas skepsel kOlOssale ROer
berens

jO fOlslein jO
drjOwen
ienlik nij nO is
dreamenst

SoLo DE MoANNE oER
DoARPEN
STILoAN IEPENSKoWEN
DE GEAST

 

mOOn Over tOwns mOOn
whisper
less creature huge grO
pingness

whO perfectly whO
flOat
newly alOne is
dreamest

oNLY THE MooN o
VER ToWNS
SLoWLY SPRoUTING SPIR
IT

 

Ut No Thanks, 1935. YouTube: Evan Gardner, ‘mOOn Over tOwns mOOn’, útfierd troch BOA: Tora Augestad (sang), Morten Barrikmo (klarinet) en Tanja Orning (sello), 2013.

Posted in E.E. Cummings | Tagged , , , | Comments Off on E.E. Cummings, ‘mOanne Oer dOarpen mOanne’

Robert Frost, Net sa sosjaal

 
Net sa sosjaal

Wat ik dien haw, ha guon fan jim it faaks wol op stean
En om de oaren hoecht myn straf net te swier
Foar wat ik te dwaan fûn, want it wie net ferbean,
Al wie ’t ek net oplein en blykber nimmens begear.

It soe net earlik wêze en straf my hiel strang
Om’t ik jim wer bewiis joech, sêft mar net swak:
De stêd hâldt in minske nea strakker yn betwang
As doe’t har muorren úttuorken boppe elk dak.

De wrâld kinst net ûntflechtsje, hune jim my.
Dêr ha jim my te pakken, mar klem sit ik net.
It begripen komt diels ferdivedearjendewei.
Ik hie net te fetsjen west, hie ’k my erflik ferset.

My feroardielje ta de dea stiet elkien frij,
Mar dat fûnis foltsjen is de natuer har profesje.
Ik lit dan it beursfûns lucht myn amme nei
En betelje mei wat beleefd berou suksesje.

 

Not Quite Social

Some of you will be glad I did what I did,
And the rest won’t want to punish me too severely
For finding a thing to do that though not forbid
Yet wasn’t enjoined and wasn’t expected clearly.

To punish me over cruelly wouldn’t be right
For merely giving you once more gentle proof
That the city’s hold on a man is no more tight
Than when its walls rose higher than any roof.

You may taunt me with not being able to flee the earth.
You have me there, but loosely as I would be held.
The way of understanding is partly mirth.
I would not be taken as ever having rebelled.

And anyone is free to condemn me to death
If he leaves it to nature to carry out the sentence.
I shall will to the common stock of air my breath
And pay a death-tax of fairly polite repentance.

 

Ut A Further Range, 1936

Posted in Robert Frost | Tagged | Comments Off on Robert Frost, Net sa sosjaal

E.E. Cummings, ‘wantrouwe wy dit net sa grutte doaske,pop’

 
wantrouwe wy dit net sa grutte doaske,pop,
folslein heimsinnich,mei sletten lid
dat yn koweletters dochs kreas beskrifte is
mei ‘Unstjerlikens’.     En komme net
te tichteby,ek al snije minsken op
oer de wûndere dingen deryn dy’t al
mei al te goed binne en rin se mis –
mar wy geane foarby,tegearre,bliuwe fral
op ôfstân.     Sizze neat.     Litte skoan
ús fuotten tinke.     Sette de siken stop –
sjogge wy dernei dan reitsje wy it leafst ek oan.
En dat moat net want(eat seit my)
hoe tige hoeden ek sadree’t wy
it yn hannen nimme

                                      popt Blauwe Fedde op

 

let us suspect,chérie,this not very big
box completely mysterious,on whose shut
lid in large letters but neatly is
inscribed “Immortality”.     And not
go too near it,however people brag
of the wonderful things inside
which are altogether too good to miss—
but we’ll go by,together,giving it a wide
berth.     Silently.     Making our feet
think.     Holding our breath—
if we look at it we will want to touch it.
And we mustn’t because(something tells me)
ever so very carefully if we
begin to handle it

                                 out jumps Jack Death

 

Ut Etcetera. The Unpublished Poems, 1983: ‘Poems for Elaine Orr, 1918–19’

Posted in E.E. Cummings | Tagged | Comments Off on E.E. Cummings, ‘wantrouwe wy dit net sa grutte doaske,pop’

Het album amicorum van Ocke van Gratinga


 
Ook in Friesland braken in de zestiende eeuw moderne tijden aan. Toch hebben veel mensen van toen, ook representanten van de upper class, slechts vage contouren. Elke nieuw ontdekte bron is dan welkom, zeker als het een album amicorum betreft: alba bieden vaak veel biografische, genealogische en heraldische informatie. Toen de Koninklijke Bibliotheek in 1999 in één klap elf Friese alba uit de zestiende en zeventiende eeuw verwierf, de collectie Van Harinxma thoe Slooten, trok dat begrijpelijkerwijs de aandacht.1 Interesse zal ongetwijfeld ook bestaan voor een heel vroeg Fries album in het Allard Pierson van de Universiteit van Amsterdam, dat tot nu toe onbekend gebleven is: het album amicorum van Ocke van Gratinga.2

Tussen 1564 en 1569 verzamelde deze Ocke in zijn album zestien bijdragen, merendeels of wellicht allemaal geplaatst in Leuven en Keulen, vaak door eveneens in den vreemde verblijvende Friezen; zie de genummerde lijst hieronder. Twaalf bijdragen zijn voorzien van een geslachtswapen. Eén bijdrage toont bovendien een portret (nr. 2) en twee andere bijdragen hebben op de keerzijde van het blad een paginagrote illustratie overdwars (nr. 6 en 10). Opvallend is dat bij die beide bijdragen een inscriptie ontbreekt: ze zijn nooit afgemaakt. Alle voorstellingen zijn uitgevoerd in gouache en waterverf, door verschillende handen. Eén hand laat zich duidelijk in meerdere voorstellingen herkennen, namelijk in de wapens van nr. 3, 6, 10 en 14 en in de beide paginagrote illustraties.

Ocke legde zijn album aan in een doorschoten exemplaar van een gedrukt boek, de Emblemata van Andreas Alciatus, in een met talrijke houtsneden geïllustreerde editie, verschenen in 1564 te Lyon bij Guillaume Roville.3 Het boek steekt in een fraaie bruinleren band met goudstempeling en vergulde sneden, die met florale motieven geciseleerd zijn. In de benedenmarge van het titelblad zette Ocke zijn handtekening: ‘O. Gratinga’.

Ocke van Gratinga werd in 1532/3 geboren als zoon van Sicke van Gratinga en diens derde vrouw Popck van Bonga.4 Sicke was een zoon van Bocke van Burmania, die voor zichzelf en zijn nakomelingen de naam Van Gratinga aannam. Popck (–1558/9), afkomstig uit Kimswerd, was een dochter van Sybrant van Bonga en Gaets van Harinxma. Ocke was gehuwd met Bauck van Buygers (1546 – na 1620), dochter van Jan van Buygers en Reynsck van Auckama.

Van 1554 tot 1559 was Ocke prebendaris van het Sjaardemaleen te Franeker,5 op belofte dat hij na vier, vijf jaar het leen als priester zelf zou bedienen dan wel het leen als niet-gewijde zou teruggeven. Maar Ocke koos uiteindelijk niet voor een kerkelijke carrière. Hij ging studeren en moest daarvoor naar het buitenland. Tussen 30 juni en 30 september 1561 schreef hij zich in als lid van de Germaanse natie te Orléans.6 Blijkens inscripties in zijn album amicorum verbleef hij in 1564 en 1565 in Leuven (nr. 4, 8 en 11) en in 1568 en 1569 in Keulen (nr. 9 en 12), al komt zijn naam niet voor in de matrikels van de universiteiten daar.

Ocke overleed vóór 1570. Zijn weduwe hertrouwde op 5 november 1570 met Hector van Aytta (1546–1576) en huwde in 1581/2 een derde maal, met Jacobus Bouricius (1544–1622). Een portret van Ocke van Gratinga op 22-jarige leeftijd, gedateerd 1555 en toegeschreven aan Adriaen van Cronenburg, bevindt zich in het Fries Museum.7 Twee boeken uit bezit van Ocke met teksten van Griekse auteurs – Demosthenes, Herodotus, Thucydides – kwamen via de bibliotheek van de Franeker hoogleraar Petreius Tiara terecht in de Franeker Academiebibliotheek en bevinden zich nu in Tresoar te Leeuwarden.8

Het album van Ocke van Gratinga is in bezit geweest van de Duitse verzamelaarster en genealoge Elise Freiin von Koenig-Warthausen (1835–1921), die het binnen haar collectie betitelde als Stammbuch XVII. In juli 1884 noteerde zij gegevens over de contribuanten aan het album in een cahiertje, dat zich nog bij het album bevindt.9 In dat cahiertje liggen weer blaadjes met Nederlandstalige notities van een anonieme eerdere bezitter uit de tweede helft van de negentiende eeuw. In het album zelf is op het dekblad voorin een knipseltje geplakt uit een niet geïdentificeerde Duitse veilingcatalogus. Op 3 november 1967 kwam het album als kavel 1358 onder de hamer bij het veilinghuis Karl & Faber te München.10 De Universiteitsbibliotheek Amsterdam verwierf het op die veiling dan wel kort daarna van een antiquaar.

Albumbijdragen

1. Hessel van Hania, z.pl., 30-04-1569. Opdracht: ‘Consanguinitatis ergo haec sua depingi curauit insignia Auunculo suo colendo. Occoni a Gratinga. Hesselius Hania. phrisius occiduus Anno Salutis 1569. pridie calendas Maij’. Tegenover p. 15.

Zoon van Watze van Hania en Ydt van Gratinga; oomzegger van Ocke; geïmmatriculeerd te Keulen op 12-06-1560, te Leuven op 04-07-1561 en te Heidelberg op 15-01-1568; in 1581 gehuwd met Wick van Hermana (–1596); overleden in 1584; begraven in Jorwert.


2. Katharina van Aesgema, weduwe van Rienck van Gratinga, z.pl., 1565. Inscriptie: ‘In Memoriam mei. K.G.’. Motto: ‘Pense pour la fin’. Tegenover p. 25.

De anonieme eerdere bezitter en Elise Freiin von Koenig-Warthausen identificeren deze dame, met een slag om de arm, als Katharina van Gratinga, dochter van Sicke van Gratinga en zijn eerste echtgenote Ydt van Dekema, en dus een halfzus van Ocke. Deze Katharina zou non geweest zijn te Haarlem.11 Het afgebeelde wapen is echter dat van de Van Aesgema’s. In de database CBG Familiewapens wordt het, op basis van F.L. van Burmania’s Adelijk wapenboeck, zo beschreven: ‘gedeeld: I de Friese adelaar; II doorsneden: a in blauw een zilveren wassenaar overtopt door een gouden ster; b in zilver twee vissen van natuurlijke kleur boven elkaar’. Exact hetzelfde wapen staat afgebeeld op het 1588 gedateerde portret van Rinthje van Gratinga (–1613).12 Zij was een dochter van Ockes volle broer Rienck van Gratinga (–1563), raadsheer aan het Hof van Friesland, en Katharina van Aesgema (1542–1608).13 Rinthje, in 1588 nog ongehuwd, liet zich afbeelden met de alliantiewapens van haar ouders; het bewuste wapen is dat van haar moeder. De Van Aesgema die het meest in aanmerking komt voor identificatie met ‘K.G.’ is Ockes twee jaar eerder verweduwde schoonzuster Katharina van Aesgema alias Katharina van Gratinga, dochter van Gabbe van Aesgema en Rinthje van Beyma. Katharina hertrouwde in 1574 met Hessel Aysma.


3. P.C.E. van Heerma, [Leuven], 12-07-1564. Opdracht: ‘Nobili et insigni probitate. D. Occoni a Gratinga amico meo amicissimo, hoc arctiss. necessitudinis sijmbolum .P.C.E. ab Heerma. Anno 1564 .4. idus Julij.’ Motto: ‘NOCVIT DIFFERRE PARATIS’ (Wat rijp is voor uitvoering, lijdt schade door uitstel, Lucanus, Phars. I, 281). Tegenover p. 26.

Niet geïdentificeerd. Een zekere Gerrolt van Heerma geïmmatriculeerd te Leuven op 12-09-1563; zoon van Johan van Heerma en Syts van Juwinga; gehuwd met Doedt van Hania; overleden in 1589. Droeg bij aan het album van Johan van Eck (te Leuven op 21-08-1565).14


4. Johann Weinmaister, Leuven, 14-09-1565. Opdracht: ‘Nobilitate, nec non doctrina predito viro D. Occoni à Gratinga, in perpetuam sui memoriam scripsit Ioannes Weinmaisterus Monacensis. Louvanij, XIIII. die septembris Dlx0 et v [?]’. Motto: ‘Au seul Dieu gloire’. Motto in afkorting: ‘CMK’. Tegenover p. 31.

Afkomstig uit München; geïmmatriculeerd te Leuven op 15-11-1563 (‘Joannes Wymeester, Monacensis’). Droeg ook bij aan de alba van Ludwig Miller (in 1562)15 en Paul Heß (te Leuven op 30-05-1564).16


5. Persaquis?, z.pl., 05-06-1565. Opdracht: ‘Singularis amicitae gratia ponebat Anno 1565. nonis junijs Persaquis [?] [handmerk]’. Motto: ‘Justitiam cole’ (Draag zorg voor gerechtigheid, Cicero, De re publica, 6.16). Geen wapen. Tegenover p. 35.
Een lijmvlek onder de inscriptie doet vermoeden dat er op het blad nog een voorstelling (een prent?) geplakt gezeten heeft.


6. Ocke van Gratinga?, [Leuven], 1564. Alleen jaartal en motto: ‘QVI PATITVR VINCIT’ (Wie kan verduren, overwint). Tegenover p. 43.
Op de keerzijde een allegorische voorstelling over de liefde, waaarin personificaties van de deugden Caritas (liefde) en Fortitudo (standvastigheid) strijden met (vermoedelijk) de ondeugd Invidia (afgunst). Alledrie worden ze voorgesteld als vrouw. Invidia ligt op de vloer en probeert met een touw een hart naar zich toe te trekken. Caritas gaat het touw doorknippen met een schaar en Fortitudo (met haar gebruikelijke attributen, een leeuw en een zuil) steekt Invidia met een speer in de borst. Een kind – attribuut van Caritas – bekogelt haar bovendien met stenen. Tegenover p. 42.

De anonieme eerdere bezitter en Elise Freiin von Koenig-Warthausen noemen Ockes halfbroer Bocke van Gratinga, zoon van Sicke van Gratinga en diens eerste echtgenote Ydt van Dekema, gehuwd met Ymck van Roorda. Wapen identiek aan een wapenbord in het Fries Museum.17


7. Wytze van Camminga, z.pl., 1564. Opdracht: ‘Nobili, docto, ac studioso juveni, D. Occoni A Gratinga hoc amicitiae perpetuae symbolum Wijtzo a Cammijga poni curauit. 1.5.64.’ Motto: ‘SPES MEA CHRISTUS’ (Christus is mijn hoop). Tegenover p. 51.

Zoon van Tiete van Camminga (–1552) en Trijn van Hottinga (–1572); geïmmatriculeerd te Leuven op 29-03-1564; overleden in 1607 in een klooster in Osnabrück.


8. Sebastian Ridler, Leuven, 14-09-1565. Opdracht: ‘Nobilitate et eruditione praestanti uiro D. Occoni à Gratinga, iusti pingi sua te insignia Sebastianus Ridlerus Monacensis, in sui memoriam, actum Louvanij 14 septembris.’ Motto: ‘Mein hofnung stet allein zu Gott. Der vnns khann helfen aus aller not.’ Motto in afkorting: ‘S.I.D.M.’. Tegenover p. 54.

Geïmmatriculeerd te Leuven op 12-11-1563. Droeg ook bij aan de alba van Ludwig Miller (in 1563) en Paul Heß (te Leuven op 28-06-1564).


9. Syds van Scheltema, Keulen, 04-05-1569. Opdracht: ‘Nobili ac honesto viro D. Occoni gratinga perpetuae amicitiae atque memoriae ergo, conuictori suo iucundissimo, haec pingui curauit Sixtus de Scheltema Anno 1569 Mense Maij 4 Colonie’. Motto: ‘Ne quid nimis’ (Alles met mate, Terentius, Andria 61). Tegenover p. 66.

Zoon van Schelte van Scheltema en Ursel van Herckema (–1582); gehuwd met Tjemck van Aylva (–1615); overleden in 1611.


10. N.N., [Leuven, 1564?]. Wapen zonder inscriptie. Tegenover p. 119.
Op de keerzijde een mythologische voorstelling: Het oordeel van Paris. Geflankeerd door Amor en Hermes houdt Paris de gouden appel omhoog die hij moet toekennen aan de mooiste van de drie godinnen die voor hem staan: Hera (met schatkist en hoorn des overvloeds), Athene (met helm, speer, schild met Medusa-hoofd en uil) en Aphrodite. Tegenover p. 118.


11. Albert Pronner, Leuven, 02-12-1564. Opdracht: ‘Nobili, ac docto Adolescenti D. Occoni à Gratinga Frisio, Albertus Pronner Monacensis haec sua insignia in perpetuum amicitiae uinculum pingi curauit Louanij IIII Nonas Decembris Anno M.D.LXIIII.’ Motto: ‘W[...] Gott [...]r Vrundt [?]’. Tegenover p. 143.

Afkomstig uit München; geïmmatriculeerd te Leuven op 15-11-1563. Droeg ook bij aan de alba van Ludwig Miller (in 1562) en Paul Heß (te [Leuven] in 1564). Met een extra haaltje is Pr in ‘Pronner’ op enig moment veranderd in een B. De anonieme eerdere bezitter en Elise Freiin von Koenig-Warthausen lezen dan ook ‘Albertus Bonner’ en identificeren hem met een gelijknamige Leeuwarder burgemeester.


12. Luert Huinga, Keulen, 31-12-1568. Opdracht: ‘Nobili, generoso, atque docto Viro D. Occoni a Gratinga conuiflori suo charissimo haec paucula scribebat Luderus Huingha in perpetuae amicitiae memoriam. Coloniae anno 1568 ultimo Decembris.’ Citaten: ‘Sal uitae amicitia’ (Vriendschap is het zout des levens), ‘Solem ex mundo tollit qui e uita amicitiam’ (Aan het leven de vriendschap ontnemen is als de wereld van de zon beroven, Cicero), ‘Amicitiam cum nemine iungito, priusque exploraueris quimodo prioribus usi fuerint’ (Isocrates). Motto in afkorting: ‘A G W L’. Geen wapen. Tegenover p. 172.

Zoon van Wolter Huinga (–1587) en Anna Rengers; geïmmatriculeerd te Heidelberg op 10-12-1566; gehuwd met Frouke Entens; overleden in 1587.18


13. Johannes Renesse, z.pl., 1568. Inscriptie: ‘En dieu tes meditations, | propos et operations, | en dieu ta iunesse, et veillesse, | en dieu ton desir et richesse, | ton plaisir, ta joye, et ta gloire, | ton appuy, confort, et victoire, | en dieu ton principe et (a fin, | qu’ hereux tu sois) en dieu ta fin.’ (ontleend aan Pierre Ravillian, Instruction chrestienne, Antwerpen: Christoffel Plantijn, 1558, keerzijde titelpagina, ‘Au lecteur’). Motto: ‘C’est a jamais’. Geen wapen. Tegenover p. 179.

Afkomstig uit Utrecht; geïmmatriculeerd te Leuven op 04-04-1564. Droeg ook bij aan het album van Ludwig Miller (in 1564).


14. Frederik Verstrepen, [Leuven], 22-06-1564. Opdracht: ‘Adolescenti generoso occoni a Gratinga Phrijsio, fridericus Verstrepen Machliniensis conuictori suo iucundissimo perpetuae amicitiae ergo hoc symbolum deno dedit 1o calendas Julii Anno 1564.’ Motto: ‘Sustine et abstine’ (Duld en onthoud u, Gellius 17, 19, 6, naar Epictetus). Tegenover p. 200.

Afkomstig uit Mechelen; geïmmatriculeerd te Leuven op 08-05-1564. Droeg ook bij aan het album van Ludwig Miller (in 1563).


15. Gerrolt van Camminga, z.pl., z.d. Opdracht: ‘Nobili ac judicto adolescenti occoni a Gratinga in memoriam perpetuae amicitiae Geroldus a Cammyga poni curauit haec sua insignia’. Motto: ‘FLOS VIRTVTIS PERPERTVVS’ (Deugd is een eeuwigdurende bloem). Tegenover p. 219.

Geboren in 1546; zoon van Minne van Camminga en Luts van Herema; geïmmatriculeerd te Leuven op 29-03-1564; gehuwd met Atje van Ockinga (–1605); overleden te Leuven in 1589. Een portret van Gerrolt op zesjarige leeftijd, geschilderd door Adriaen van Cronenburg en gedateerd 1552, in het Fries Museum.19


16. Hans van Oostheim, z.pl., 1564. Inscriptie: ‘Was schaet gewagt | Frisch vnverzagt | Noch eyn mael’. Ondertekend met ‘Johan von Ostheym’. Geen wapen. Tegenover p. 224.

Zoon van Hessel van Oostheim, grietman van Idaarderadeel, en Teth van Burmania; gehuwd met Tryn van Galama (–1603); overleden in 1603 aan de pest. Vanaf 1594 kapitein in het Staatse leger, nam deel aan de Slag bij Nieuwpoort.20


Noten

Met dank aan André Buwalda voor enkele biografische en genealogische gegevens, aan Martin Engels voor enkele correcties en zijn observatie over de wijziging van ‘Pronner’ in ‘Bonner’, en aan Larissa van Vianen voor haar waardevolle suggesties omtrent de iconografie van de allegorische voorstelling.

  1. Zie over die alba Kees Thomassen & Klaas van der Hoek, ‘Drie broertjes op reis. De alba amicorum van Homme, Juw en Pieter van Harinxma’, Jaarboek voor Nederlandse boekgeschiedenis 7 (2000), p. 125–158; Klaas van der Hoek & Kees Thomassen, ‘De kolleksje Van Harinxma thoe Slooten. Alve Fryske alba amicorum wer foar it ljocht,’ Fryslân 6 (2000), nr. 1, p. 27–30; Yme Kuiper & Kees Thomassen, Banden van vriendschap. De collectie alba amicorum Van Harinxma thoe Slooten, Franeker 2001.
  2. Allard Pierson, Universiteit van Amsterdam, Hs. XXI C 9. Het album ontbreekt in C.L. Heesakkers & K. Thomassen, Voorlopige lijst van alba amicorum uit de Nederlanden voor 1800, ’s-Gravenhage 1986. Het wordt wel genoemd in Wolfgang Klose, Corpus alborum amicorum. Beschreibendes Verzeichnis der Stammbücher des 16. Jahrhunderts, Stuttgart 1988, p. 31, maar zonder vermelding van de huidige bewaarplaats. Het album is sinds kort online raadpleegbaar.
  3. D. And. Alciati Emblemata denuo ab ipso autore recognita [...], Lugduni: apud Gulielmum Rovill, 1564.
  4. Zie over Sicke en Popck onder meer: A. van Halmael & M. de Haan Hettema, Stamboek van den Frieschen, vroegeren en lateren, adel [...], I, Leeuwarden 1846, p. 66; D.J. van der Meer, ‘De pseudo-Burmania’s en Rienck van Hemmema te Hitsum’, Genealogysk jierboek 1994, Ljouwert 1994, p. 23–40, met name 26–28; Paul Noomen, ‘De genealogie van de Friese adel volgens Upcke van Burmania VIII. Burmania, te Birdingaterp, te Hitsum en Gratinga’, Genealogysk jierboek 2000, Ljouwert 2000, p. 128–154, met name 140–141.
  5. Herman Hazelhoff, Edwert Sjaardema’s erfenis. Van prebende tot stichting, Franeker 1993, p. 45, 52, 57. Zie over het Sjaardemaleen ook Hein Walsweer, ‘In “certaine prébende en l’église de St Martin en Franeker”. It Sjaardemalien opnij besjoen’, It Beaken 62 (2000), p. 27–55.
  6. M.H.H. Engels, ‘De Franeker academiebibliotheek vóór 1700’, in: Ph.H. Breuker & Michaël Zeeman (red.), Freonen om ds. J.J. Kalma hinne, Leeuwarden 1982, p. 266–284. Een bewerking is raadpleegbaar op de website van Martin Engels.
  7. Leeuwarden, Fries Museum, nr. S02009. Het portret draagt het opschrift ‘LOFT GODT ALTYT ÆTATIS SVE 22’.
  8. Engels 1982. Het betreft Habes lector Demosthenis Græcorum oratorum omnium facile principis Orationes duas & sexaginta [...], Bazel: Johannes Hervagius, 1532 (Tresoar, 793 TL fol); en Herodoti libri novem, qvibvs mvsarvm indita svnt nomina Clio [...], Bazel: Officina Hervagiana, 1557, samengebonden met Thvcydides cvm scholiis et antiqvis et vtilibvs sine qvibus author intellectu multum est difficilis [...], Bazel, Officina Hervagiana, [1540] (Tresoar, 449 G fol).
  9. Zie over haar en haar collectie: Gerhard Seibold, ‘Die Sammlerin Elise Freiin von Koenig-Warthausen. Versuch einer Würdigung am Beispiel von Handschriften aus ihrem Besitz’, Zeitschrift für Württembergische Landesgeschichte 70 (2011), p. 431–453. Veel alba uit haar bezit gaan vergezeld van een dergelijk cahiertje.
  10. Veilingcatalogus Bücher, Autographen. Auktion 108, Karl & Faber, München, 2/3-11-1967, p. 196 (nr. 1358).
  11. Van Halmael & De Haan Hettema 1846, p. 66.
  12. Veiling Wenen, Dorotheum, 11-06-2012, kavel 59. Zie voor meer gegevens en een afbeelding de database van het RKD.
  13. Van der Meer 1994, p. 40; O. Vries e.a., De Heeren van den Raede. Biografieën en groepsportret van de raadsheren van het Hof van Friesland, 1499–1811, Hilversum 1999, p. 241–242; Noomen 2000, p. 141.
  14. J.G. Smit, ‘Het album amicorum van Johan van Eck’, Flehite. Tijdschrift voor verleden en heden van Oost-Utrecht 7, nr. 3 (november 1975), p. 44–53: 48.
  15. Sigmaringen, Fürstlich Hohenzollernsche Hofbibliothek, Hs. 457. Zie Klose 1988 en het Repertorium alborum amicorum (RAA).
  16. Particuliere collectie. Zie Walther Ludwig, Beispiele interkonfessioneller Toleranz im 16.–18. Jahrhundert. Zwei humanistische Stammbücher und die christlichen Konfessionen, Hildesheim / Zürich / New York 2010 en het RAA.
  17. Leeuwarden, Fries Museum, nr. S01712B.
  18. Redmer Alma, ‘Rudolf Huinga te Uithuizermeeden. De achtergrond van een bijzonder monument’, Groninger Kerken 33, nr. 2 (april 2016), p. 49–52, 69–70.
  19. Leeuwarden, Fries Museum, nr. OKS 1993-002, bruikleen van de Ottema-Kingma Stichting.
  20. Zie de website De Friese Regimenten.

Posted in Fynsten | Tagged , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , | Comments Off on Het album amicorum van Ocke van Gratinga

Wallace Stevens, Tinkend oan in ferbân tusken de bylden fan metafoaren

 
Tinkend oan in ferbân tusken de bylden fan metafoaren

De wâlddowen sjonge lâns de Perkiomen.
De bears, noch bang foar de yndianen, sit djip.

Yn it iene ear fan de fisker, dy’t alhiel
Ien ear is, sjonge de wâlddowen in inkeld liet.

De bearzen sjogge aloan foarút, streamop, ien
Kant út, en skrilje tebek foar it spatterjen

Fan wetterige spearen. De fisker is alhiel
Ien each, wêryn’t de do liket op in do.

Der is ien do, ien bears, ien fisker. En dochs,
Koe wurdt roekoe, roekoekoe. Hoe ticht

Komt elke fariant by it net ponearre tema...
Yn dat iene ear docht dy miskien perfekt oan:

Set er it útien. Yn dat iene each springt de do
Miskien yn byld en bliuwt dan dochs in do.

De fisker is miskien dy iene minske
Yn waans boarst de do mûlk delstrykt en ferstillet.

 

Thinking of a Relation between the Images of Metaphors

The wood-doves are singing along the Perkiomen.
The bass lie deep, still afraid of the Indians.

In the one ear of the fisherman, who is all
One ear, the wood-doves are singing a single song.

The bass keep looking ahead, upstream, in one
Direction, shrinking from the spit and splash

Of waterish spears. The fisherman is all
One eye, in which the dove resembles a dove.

There is one dove, one bass, one fisherman.
Yet coo becomes rou-coo, rou-coo. How close

To the unstated theme each variation comes . . .
In that one ear it might strike perfectly:

State the disclosure. In that one eye the dove
Might spring to sight and yet remain a dove.

The fisherman might be the single man
In whose breast, the dove, alighting, would grow still.

 

Ut Transport to Summer, 1947. De Perkiomen Creek is in sydrivier fan de Schuylkill River yn Pennsylvania.

Posted in Wallace Stevens | Tagged | Comments Off on Wallace Stevens, Tinkend oan in ferbân tusken de bylden fan metafoaren

Robert Frost, Men moat plattelânsdingen rymje kinne

 
Men moat plattelânsdingen rymje kinne

It hûs wie ferdwûn. It jûnsrea hie
Dy kears de midsnachtloft fergnist.
Fan ’t hûs stie inkeld de skoarstien noch,
As in stamper dy’t syn bledsjes mist.

Ek de skuorre oarekant de wei
Soe proai west hawwe fan de brân
As de wyn dat wold hie, mar bleau oer,
Oars hie it stee gjin namme mear hân.

Hy gie nea wer iepen, waach en wiid,
Foar hynder-en-wein, foar it gejacht
– Dy hoefslaggen op de skuorrereed –
Om gollen te foljen mei simmerfracht.

De fûgels dy’t kamen, fleagen no
Troch brutsen finsters út en yn.
Sy tsjirpten sa’t wy suchtsje, de sucht
Fan hingjen bliuwe yn tiden lyn.

Mar foar harren grienen wer de sering
En de âlde yp, hoe skroeid dy ek wie;
De pomp stuts in kromme earm omheech
En de hikkepeal droech in eintsje trie.

Echt, foar harren wie neat treurich dêr.
Mar al hienen sy in nust dat befoel,
Men moast plattelânsdingen rymje kinne
En leau net, der hawwe swellen gûld.

 

The Need of Being Versed in Country Things

The house had gone to bring again
To the midnight sky a sunset glow.
Now the chimney was all of the house that stood,
Like a pistil after the petals go.

The barn opposed across the way,
That would have joined the house in flame
Had it been the will of the wind, was left
To bear forsaken the place’s name.

No more it opened with all one end
For teams that came by the stony road
To drum on the floor with scurrying hoofs
And brush the mow with the summer load.

The birds that came to it through the air
At broken windows flew out and in,
Their murmur more like the sigh we sigh
From too much dwelling on what has been.

Yet for them the lilac renewed its leaf,
And the aged elm, though touched with fire;
And the dry pump flung up an awkward arm;
And the fence post carried a strand of wire.

For them there was really nothing sad.
But though they rejoiced in the nest they kept,
One had to be versed in country things
Not to believe the phoebes wept.

 

Ut New Hampshire, 1923

Posted in Robert Frost | Tagged | Comments Off on Robert Frost, Men moat plattelânsdingen rymje kinne

Wallace Stevens, In heechstimde âlde kristinne

 
In heechstimde âlde kristinne

Poëzy is de opperste fiksje, mefrou.
Nim de morele wet, meitsje dêr in tsjerkeskip fan
En bou dat tsjerkeskip út ta in himel fol skimen.
Sa wurdt it gewisse omturnd yn palmen,
As winige siters snakkend nei hymnen.
Yn begjinsel binne wy it iens. Helder. Mar nim
De tsjinstelde wet, meitsje in pyldergong
En projektearje út dy pyldergong wei in maskerade
Foarby de planeten. Sa wurdt ús skabreuzens,
Unútwiskber troch grêfskrift en lang om let
Oersljochte, allyksa omturnd yn palmen,
S-bochtsjend as saksofoans. En palm foar palm,
Mefrou, binne wy dêr’t wy úteinsetten. Lit dêrom ta
Dat jo ôffallige, folproppe flagellanten,
Wylst sy yn optocht op harren fodzige buken petse,
Grutsk op sokke nijichheden fan it sublime,
Sok kling en klang en klingklangklong,
Dat sy yn de planetêre setting allicht, ja lichtwol,
Mefrou, middenmank de himellichems
Ut harrensels wat joviaal kabaal giselje.
It lit widdo’s grizelje. Mar fiktive dingen gljurkje
Nei beleaven. Gljurkje leafst as widdo’s grizelje.

 

A High-Toned Old Christian Woman

Poetry is the supreme fiction, madame.
Take the moral law and make a nave of it
And from the nave build haunted heaven. Thus,
The conscience is converted into palms,
Like windy citherns hankering for hymns.
We agree in principle. That’s clear. But take
The opposing law and make a peristyle,
And from the peristyle project a masque
Beyond the planets. Thus, our bawdiness,
Unpurged by epitaph, indulged at last,
Is equally converted into palms,
Squiggling like saxophones. And palm for palm,
Madame, we are where we began. Allow,
Therefore, that in the planetary scene
Your disaffected flagellants, well-stuffed,
Smacking their muzzy bellies in parade,
Proud of such novelties of the sublime,
Such tink and tank and tunk-a-tunk-tunk,
May, merely may, madame, whip from themselves
A jovial hullabaloo among the spheres.
This will make widows wince. But fictive things
Wink as they will. Wink most when widows wince.

 

Ut Harmonium, 1923

Posted in Wallace Stevens | Tagged | Comments Off on Wallace Stevens, In heechstimde âlde kristinne

Poste restante XXXVII

‘Oliefabriek te Drachten in brand. – Zondagmorgen 31 Mei 1903.’ (m.û.), 1903. Fotokaart, 90×140 mm. Sûnder fermelding fan in útjouwer. Poststimpels Drachten 08-06-1903 en Ljouwert 08-06-[1903]. Ferstjoerd oan Trijntje Boelens, Ljouwert, troch Antje Boelens.

W Z [= Waarde Zuster]
Wij maken het allen nog best en wij hopen u spoedig eens in ons midden te zien het is nu buiten zoo mooi jullie tuintje zal ook wel weer mooi komen uit te zien, onze bloemen staan ook zoo prachtig. wij kregen zoo pas een brief uit delft dat zij kwamen de ac
[ht]tienden Julie. hartelijk gegroet Anna Boelens

 
De Amsterdamske antikwaar en samler Louis Putman (1923–2013) koenen je in protte fan opstekke, net yn ’t lêste plak oer it ferskynsel ansichtkaart. Mar dy kennisoerdracht ferge al wat ynskiklikens. Earst en foaral: jo mochten dat ferskynsel inkeld oantsjutte as prentbriefkaart; it germanistyske a-wurd, ynboargere of net, wie yn bywêzen fan Putman strikt ferbean. En twad: der foel net ôf te tingjen op syn fisy dat de wichtichste funksje fan de ansicht (sorry) yn de begjintiid fan dat medium de fisuele nijsfoarsjenning west hie. De printbrievekaart soe benammen tsjinne hawwe om freonen en kunde op oanskôglike wize, yn byldfoarm, op de hichte te bringen fan opmerklike barrens.

Sa’n barren wie sûnder mis de brân dy’t op 31 maaie 1903 it oaljefabryk De Nijverheid fan de firma Van der Meij & Co oan it Mûnsein yn Drachten yn ’e jiske lei. It fabryk wie fêstige yn in mûne út 1850, dêr’t letter, nei de ynstallaasje fan in stoommasine, de wjukken fan ôfhelle wienen. De firma parse oalje út lyn- en raapsied en ferwurke de pulp dy’t oerbleau ta feekoeken. Brânber spul allegearre; broei hie neffens guon de oarsaak fan de brân west. It soe nammers net de lêste kear wêze dat der yn Fryslân in oaljefabryk ôfbaarnde; yn 1915 gong der yn Snits ek ien yn reek op en de firma De Boer op De Jouwer ferlear sels twaris sa’n fabryk oan it fjoer, yn 1912 en 1928.

De brân yn Drachten die him foar op in pinkstersnein en waard de moarns ûnder tsjerketiid ûntdutsen. ‘Terstond haalde men de brandspuit en werden de spuitgasten, van wie sommigen in de kerk waren, gewaarschuwd. Dat gaf een heele opschudding in de kerk en toen even daarna de brandklok klepte, werd de onrust zoo groot, dat de predikant maar beter vond de godsdienstoefening te eindigen’, berjochte it Nieuwsblad van Friesland fan 3 juny 1903. Fansels luts de brân hiel wat ramptoeristen – frij fan wurk en frij fan tsjerke ommers – mar de hjitte fan it fjoer wie sa grut dat de lju oarekant de feart net op de dyk stienen mar op grutter ôfstân, yn it lân.

Fuortdaalk wienen de beide brânspuiten dy’t Drachten ryk wie yn fol bedriuw, mar der wie gjin hâlden oan. It wie ien en al fjoer en rook. De brânwacht die al gau gjin war mear om it fabryk te rêden mar besocht foaral huzen en in houtseachmûne fierderop brânfrij te hâlden. It fabryk en twa oanboude tsjinstwenten gongen yn flammen op, by einsluten stienen inkeld de mitsele bûtenmuorren fan de mûne en in hege skoarstien noch oerein. Lokkigernôch wienen der gjin slachtoffers. De brân bleau lang yn it ûnthâld; doe’t ien fan de tsjinstdwaande spuitgasten, Wietze Klazenga, yn 1938 syn fjirtichjierrich jubileum fierde, neamde hy de brân út 1903 as ien fan de grutsten dy’t er yn al dy jierren meimakke hie.

It tal ansichten dat fan dy brân yn Drachten makke waard, liket de opfetting fan Louis Putman te ûnderstreekjen. Blykber foel der mei ansichten fan sa’n brân, hoe ûnoantreklik ek, jild te fertsjinjen. Mar dan moatte jo al foto’s makke hawwe, of meitsje litten hawwe, op it moment suprème. De anonime útjouwer fan de ansicht boppe-oan dit blog en dy dêrûnder hie dat net en naam syn taflecht ta piraterij: hy makke foto’s fan twa ansichtkaarten dy’t in oar al útjûn hie. Bygefolch binne de beide ‘rôfdrukte’ ansichten skier en ûnskerp en steane de foto’s der wat bryk op. Ek de byskriften op de orizjinele kaarten kamen op de duplikaten telâne, al wienen se doe net goed mear te lêzen.

Dragtster Courant, 22-05-1884

Eksimplaren fan dy orizjinele ansichten binne ek bewarre bleaun. Ik haw der ien fan it duplikaat boppe-oan dit blog, Tresoar hat der ien fan de oare (51827). De orizjinelen binne skerper en better kadere as de pirateduplikaten. Ek jouwe sy de namme fan de fotograaf, dy’t op de duplikaten fuortpoetst is. It giet om Roelof Lammers (1853–1910), yn 1879 al aktyf as fotograaf, dy’ in foto-atelier hie op de Bopperein, tsjintwurdich de Súdkade. Lammers paste nije techniken ta dy’t de foarhinne lange slutertiid flink bekoarten en advertearre dan ek mei de oanbefelling ‘Men wordt in eene seconde gephotographeerd.’ Fierders ferkocht er skilderij- en fotolisten, stielgravueres en naaimasines, en hy en syn broer Broor lieten harren ek ynhiere om foarstellings mei in toverlantearne te jaan.

Dragtster Courant, 08-06-1904

Lammers makke net inkeld atelierfoto’s, mar gong der ek op út om lânskippen, doarpsgesichten en strjitlibben fêst te lizzen. Dat hat prachtich byldmateriaal opsmiten fan Drachten en omkriten yn de lette njoggentjinde en de iere tweintichste iuw. Museum Dr8888 stalde dêr yn 2010 in moaie tentoanstelling út gear. Guon fan syn opnamen brûkte Lammers om ansichten fan te meitsjen (fotokaarten) of meitsje te litten (yn ljochtdruk, sawol swart-wyt as ynkleure), foaral fan Drachten, Beetstersweach en Olterterp. De ansichten dy’t er fan de brân makke, binne fotokaarten. De iene is makke fan in plak oarekant de feart rjocht tsjinoer it fabryk. Foar de oare keas er in heger stânpunt op grutter ôfstân, hy moat nommen wêze fan de houtseachmûne ôf dy’t sichtber is op ien fan de twa ansichten hjirûnder.

Dy beide ansichten waarden op ’e merk brocht troch noch wer in tredde útjouwer: Ebele Nieuwholt (1859–1925), dy’t syn wurksume libben begûn as klerk op de gemeentlike sekretary, mar letter aktyf wie as drukker, as ferkeaper fan boeken en kantoarartikelen en as útjouwer fan ansichtkaarten fan Drachten en omkriten. Eabele hie in winkel oan de Noardkade. Hy brocht fan de brân twa reguliere kaarten út, yn ljochtdruk, mei byskriften yn boekdruk (printe mei leadsetsel dus, yn dit gefal yn read). De iene kaart is bysûnder fanwegen it fûgelflechtperspektyf; soe de foto út in loftballon wei makke wêze? Op de oare ansicht falle de trije famkes hielendal links op: harren oandacht giet net út nei de enoarme reekkolom achter harren, mar nei de fotograaf... wy komme op de kyk!

Dat relativearret de spektakulêrens fan de brân wer wat. Relativearring sprekt ek út de tekst fan de ôfstjoerster fan de ansicht boppe-oan dit blog, Antsje Boelens (1858–1919). It kaartsje wie foar har suster Tryntsje (1863–1918), húshâldster by de út Dútslân ôfkomstige Friedrich Wilhelm Rolf von den Baumen, dy’t in winkel hie op de Tunen yn Ljouwert. Antsje rept mei gjin wurd oer de brân, noch mar acht dagen lyn, dêr’t har ansicht sa’n dramatysk byld fan jout, mar skriuwt oer túntsjes en blommen en oer de oerkomst fan famylje of kunde út Delft. Ek ien fan de oare kaarten stiet gjin oar boadskip op as in lokwinsk: ‘Gefeliciteerd door Uw Oom en Tante’. Soks ûndergraaft dochs wol wat de idee fan Putman dat de ansicht yn it earstoan primêr de funksje fan fisueel nijsmedium hie.

Hawar. De mûne dy’t plak jûn hie oan it oaljefabryk en sa jammerdearlik ôfbaarnde, is der noch: hy waard wer oplape en stiet tsjintwurdich op de gemeentlike monumintelist. It pân is no ûnderdiel fan Dunlop Conveyor Belting, fabrikant fan rubberen transportbannen.

De Nijverheid yn 2015. Foto: Bayke de Vries / Wikimedia Commons.

Posted in Poste restante | Tagged , , , , , , , | Comments Off on Poste restante XXXVII

Elizabeth Bishop, Utfanhuzer

 
Utfanhuzer

It sombere skroarske
dat dizze moanne by ús tahâldt
is lyts en skraal en bitter.
Net ien dy’t har opfleurje kin.
Jou har in jurk, drinken,
brette hin of bakte fisk –
it lit har ûnferskillich.

Sy sit mar en sjocht tv.
Nee, se sjocht nei rûs.
‘Kinst de tv net bystelle?’
‘Nee,’ seit se. Gjin hoop.
Sy sjocht en sjocht mar,
sûnder hoop, ekspresjeleas.

Har eigen klean jouwe ús te tinken,
mar sy is net in earme wees.
Sy hat in heit en in mem en sa,
fertsjinnet bêst aardich
en wy tropje har fol
mei streksume kost.

Hjir, de fierrekiker, noadzje wy har.
Wy sizze: ‘Kom nei de strieljagers sjen!’
Wy sizze: ‘Kom nei de poppe sjen!’
Of nei de skjirreslyp dy’t hiel knap
it folksliet spilet, snerpjend
op syn slypstien.
Neat helpt.

Sy sprekt: ‘Ik haw wat jild
nedich om knopen te keapjen.’
Der om freegje fynt sy blykber
sinleas. Hearken, keapje knopen
as dat sa noadich moat,
de grutste yn ’e wrâld –
dozinen, by it gros!
Keapje foar dysels in iisko,
in stripboek, in auto!

Har gesicht is sletten as in nút,
sletten as in hoeden slak
of in tûzenjierrich siedsje.
Dreamt se oer trouwen?
Of ryk wurde? Har naaiwurk
is perfoarst midsmjittich.

Asjeblyft! Nim ús jild! Laitsje!
Wat yn ’e goedichheid ha wy dien?
Wat hat elkenien misdien
en wannear is dat alles begûn?
Dan op in dei lit se los
dat sy non wurde woe
en har famylje it opkearde.

Miskien moatte wy har gean litte
of har fuortdaalk ôfleverje
by it neiste kleaster – wie trouwens
har moanne ferline wike al net om?

Kin it wêze dat wy yn ús boezem
in Skikgoadinne koesterje?
Klotho, dy’t ús libbens benaait
mei in bientich lyts fuotsje
op in liende naaimasine –
binne ús lotsbeskikkings no as harres
en ús seamen foar ivich skeef?

 

House Guest

The sad seamstress
who stays with us this month
is small and thin and bitter.
No one can cheer her up.
Give her a dress, a drink,
roast chicken, or fried fish—
it’s all the same to her.

She sits and watches TV.
No, she watches zigzags.
“Can you adjust the TV?”
“No,” she says. No hope.
She watches on and on,
without hope, without air.

Her own clothes give us pause,
but she’s not a poor orphan.
She has a father, a mother,
and all that, and she’s earning
quite well, and we’re stuffing
her with fattening foods.

We invite her to use the binoculars.
We say, “Come see the jets!”
We say, “Come see the baby!”
Or the knife grinder who cleverly
plays the National Anthem
on his wheel so shrilly.
Nothing helps.

She speaks: “I need a little
money to buy buttons.”
She seems to think it’s useless
to ask. Heavens, buy buttons,
if they’ll do any good,
the biggest in the world—
by the dozen, by the gross!
Buy yourself an ice cream,
a comic book, a car!

Her face is closed as a nut,
closed as a careful snail
or a thousand-year-old seed.
Does she dream of marriage?
Of getting rich? Her sewing
is decidedly mediocre.

Please! Take our money! Smile!
What on earth have we done?
What has everyone done
and when did it all begin?
Then one day she confides
that she wanted to be a nun
and her family opposed her.

Perhaps we should let her go,
or deliver her straight off
to the nearest convent—and wasn’t
her month up last week, anyway?

Can it be that we nourish
one of the Fates in our bosoms?
Clotho, sewing our lives
with a bony little foot
on a borrowed sewing machine,
and our fates will be like hers,
and our hems crooked forever?

 

Ut it skift ‘New and Uncollected Work’ yn The Complete Poems, 1969. Klotho is yn de Grykske en Romeinske mytology ien fan de trije Skikgoadinnen (Moirai of Fata). Klotho spint ús libbenstried.

Posted in Elizabeth Bishop | Tagged | Comments Off on Elizabeth Bishop, Utfanhuzer

Robert Frost, Sang wie it doel

 
Sang wie it doel

De minske kaam en die ’t him foar;
    Goed blaze wie de wyn nea leard.
By dei en nacht, yn ’t rûchste oard,
    Hie hy op ’t lûdste blaasd en beard.

De minske sei: dochst it ferkeard,
    Moatst blaze fan in gaadlik plak;
It doel is sang – do blaast forseard.
    Hear my – sa joust it syn gerak!

Hy naam in mûlfol, net in boel,
    En hold dat sa lang binnenyn
Dat noard yn súd feroarje koe,
    Blies doe mei mjitte út wat wyn.

Mei mjitte. It wie wurd en toan,
    Wyn sa’t de wyn graach wêze woe –
Lâns kiel en lippen, sunichoan.
    De wyn begriep: sang wie it doel.

 

The Aim Was Song

Before man came to blow it right
    The wind once blew itself untaught,
And did its loudest day and night
    In any rough place where it caught.

Man came to tell it what was wrong:
    It hadn’t found the place to blow;
It blew too hard—the aim was song.
    And listen—how it ought to go!

He took a little in his mouth,
    And held it long enough for north
To be converted into south,
    And then by measure blew it forth.

By measure. It was word and note,
    The wind the wind had meant to be—
A little through the lips and throat.
    The aim was song—the wind could see.

 

Ut New Hampshire, 1923

Posted in Robert Frost | Tagged | Comments Off on Robert Frost, Sang wie it doel